Doodgaan, hebzucht en politieke apathie

Allerarmsten betalen de prijs van klimaatverandering

Doodgaan, hebzucht en politieke apathie

Allerarmsten betalen de prijs van klimaatverandering

Tekst Marc Notebomer Beeld Hilbert Krane

Politici die het aan daadkracht ontbreekt en burgers die blijven hangen in politieke apathie… Als we de gevolgen van klimaatverandering willen bestrijden, zal daaraan echt wat moeten gebeuren, zegt klimaatethicus Ingrid Robeyns. Wie kijkt naar alle natuurrampen die momenteel in de wereld plaatsvinden, kan de moed gemakkelijk in de schoenen zakken. Toch schijnt er licht aan de horizon. Robeyns: ‘Als ieder individu zich voor één zaak inzet, doen we samen genoeg.’

‘Welke rol speelt ongelijkheid in klimaatprocessen?’

Ingrid Robeyns is filosoof, econoom en hoogleraar ethiek van instituties aan de Universiteit Utrecht. Sinds een jaar of 7 houdt ze zich met het klimaatvraagstuk bezig. Klimaatethiek is een bekende subdiscipline binnen de toegepaste ethiek, maar er is in het Nederlands publieke debat maar weinig over bekend. ‘Er zijn ook geen boeken over vertaald en belangrijke klimaatethici worden nooit geïnterviewd.’ Als klimaatethicus probeert Robeyns meerdere vragen te beantwoorden maar er is er een die centraal staat: die gaat over de rol die ongelijkheid en sociale onrechtvaardigheid in klimaatprocessen spelen. ‘Als je naar klimaatverandering kijkt, zijn er drie vormen van ongelijkheid die van invloed zijn: de eerste is die van de geïndustrialiseerde landen ten opzichte van ontwikkelingslanden. Historisch gezien hebben we het dan vooral over Europa, maar meer recent ook over de VS, Canada en Australië. Die landen stoten veel meer broeikasgassen uit dan andere landen, maar de armere landen ondervinden veel meer schade van klimaatverandering. De VS, bijvoorbeeld, hebben 17 ton emissies per persoon per jaar, Canada en Australië stoten 15 ton per persoon per jaar uit, Europa 7,8 ton, Zuid-Amerika 2,7 ton, India 1,8 ton en Afrika 0,8 ton [red. meer cijfers via http://www.globalcarbonatlas.org/en/CO2-emissions].’ Ten tweede is er de ongelijkheid tussen arme en rijke personen. Waar ze ook wonen, rijke personen stoten veel meer uit omdat ze investeren in vervuilende productie, veel meer consumeren, grotere huizen hebben, veel meer reizen en soms ook een eigen vliegtuig of boot hebben. Een derde vorm van ongelijkheid is die tussen mensen van nu en in de toekomst. Robeyns: ‘Als we nu niks doen, hebben we er zelf misschien relatief weinig last van, maar we zadelen onze kinderen en kleinkinderen met een hoop ellende op.’

1990 De gevolgen zien we ook nu al om ons heen. De schade door toename van extreme weersomstandigheden als droogte en hevige regenval is enorm. En het aantal doden wordt ook elk jaar groter. Robeyns: ‘In Pakistan vielen vorige maand 900 doden door overstromingen. Het risico op hongersnood neemt toe, en er zijn naties die de komende decennia helemaal onder de zeespiegel zullen verdwijnen. Het onvoorstelbare is: we weten al meer dan 30 jaar van deze processen af. Onze leiders kunnen sinds de eerste rapporten van de IPCC uit 1990 niet meer zeggen dat ze niet weten dat de emissies naar beneden moeten.’ Bovendien lijden de minst verantwoordelijken juist het meest, aldus Robeyns. ‘Dat is een vorm van adding insult to injury. Juist de arme mensen op aarde zijn de pineut. Als je rijk bent, koop je een grote villa in een veilig gebied, en huur je private brandweer tegen bosbranden in. Maar als je geen geld hebt, kun je dat wel vergeten.’

Kleptopia En dan de hamvraag: als politici en overheden sinds 1990 weten dat actie noodzakelijk is, waarom gebeurt er dan zo weinig? ‘Dat heeft te maken met een zwakheid in ons democratisch bestel,’ aldus Robeyns. ‘Politici kijken bij voorkeur niet verder dan 4 jaar, wanneer er nieuwe verkiezingen worden gehouden. Want wat als ze niet worden herkozen? Zelfs als ze weten wat er moet gebeuren om de klimaatcrisis te bestrijden, ondernemen ze onvoldoende actie, omdat ze een volgende regeerperiode voor zichzelf veilig willen stellen.’ Nog een probleem: macht om verandering teweeg te brengen wordt verworven met geld. Robeyns: ‘En wie hebben er geld? Dat zijn de grote bedrijven en de mensen die daarvoor werken en denken er baat bij te hebben om de status quo te handhaven. Ook in Nederland zijn de relaties tussen de grote bedrijven en de politiek intens. In het meest extreme geval krijg je een kleptocratie. Daar heeft onderzoeksjournalist Tom Burgis een boek geschreven: Kleptopia. Daarin beschrijft hij hoe dirty money zich over de wereld verspreidt. Hoe leiders in Rusland en Kazachstan grondstoffen en staatsbedrijven die geprivatiseerd worden toebedelen aan mensen uit hun netwerk. Die worden dan allies die hen helpen om in het zadel te blijven, waardoor ze toegang krijgen tot andere geldbronnen. En zo verandert er niks.’

‘Men moet zich bezinnen op wat burgerschap betekent’

Rentmeesterschap Hoe keren we dan het tij? Hoe zorgen we dat grootschalige klimaatverandering een halt wordt toegeroepen? ‘Voor een gezonde wereld en een gezonde rechtsstaat en democratie, is het belangrijk dat iedereen is geïnformeerd, elke stem telt en politici nadenken over wat nodig is voor mensen nu en in de toekomst, en wat de verantwoordelijkheden van Nederland internationaal zijn,’ zegt Robeyns. ‘Wat je daarvoor nodig hebt? Goede onderzoeksjournalisten als Tom Burgis. Verder is het nodig dat de bevolking geïnformeerd wordt over gevolgen van klimaatverandering en dat de kiezers die zwaar laten meewegen in wat ze stemmen. De meesten van ons stemmen in ons eigen belang, gewoon voor onszelf. In plaats daarvan moeten we ons concentreren op onze rol als burger en als rentmeester van de aarde. Dat laatste is een christelijk begrip maar iedereen kan het omarmen. Het betekent dat je zorg draagt voor de aarde en je omgeving niet slechter achterlaat dan je hem hebt aangetroffen.’ Dat wil zeggen dat men zich moet bezinnen op wat burgerschap betekent. ‘Als je deel uitmaakt van een gemeenschap, is het recht om te stemmen het golden ticket,’ zegt Robeyns. ‘Maar het is niet alles. Dat je 1 keer in de 4 jaar je stem uitbrengt, maakt je nog geen betrokken burger. Het gaat erom dat je verder kijkt dan je economische rol als werkgever, werknemer of ondernemer, of je privérol als vader moeder, broer of zus. Het is super als je achter de bar staat van de voetbalclub van je kinderen… Maar dat lost de belangrijkste problemen in de wereld niet op.’

Verder dient de Nederlandse overheid wakker geschud te worden, vindt Robeyns. Ze verwijt Nederlandse politici een kruideniersmentaliteit. ‘We hebben het nu over klimaat, maar er zijn nog talloze andere zaken te noemen, zoals de toeslagenaffaire en de asielopvangcrisis. Het is lastig om nog te vertrouwen dat de overheid haar verantwoordelijkheden goed op zich neemt. Het is de hoogste tijd dat politici en ook ambtenaren gaan denken als staatslieden en moreel leiderschap tonen. In de zin van: ik heb een bepaalde positie en bepaalde macht en die ga ik ten goede inzetten voor de publieke zaak.’ ‘Tegenwoordig vinden veel mensen het achterhaald als je in termen van moreel leiderschap spreekt,’ gaat ze verder. ‘De meesten van hen zijn met zichzelf bezig, met hun eigen positie. Maar vraag jezelf af: wat wil ik op mijn sterfbed tegen mijn kinderen zeggen? Is dat: ik ben DG geworden? Of: ik heb me vooral ingezet om de wereld te verbeteren?’ Politiek gekozenen die geen visionair leiderschap tonen, burgers die berusten in politieke apathie, droogte, overstromingen, hongersnoden… Hoe meer je erover weet, hoe zwaarmoediger je wordt. ‘Als je al die verschillende problemen ziet, krijg je het gevoel van overmand te worden,’ zegt Robeyns. Toch ziet ze wel degelijk licht aan de horizon. ‘Stel, iedere landgenoot zet zich in voor één zaak, bijvoorbeeld het versterken van de democratie, mensenrechten of het klimaat… Dat is voor bijna iedereen haalbaar. Dan doen we samen genoeg.En als politici ophouden met vooral na te denken over de volgende verkiezingen en in de plaats daarvan visionair leiderschap tonen, zijn we al een eind verder.’

Clean energy transfer En over de wereld verbeteren gesproken: hebben rijke, ontwikkelde naties daarin een andere rol te vervullen dan ontwikkelingslanden? Zeker, zegt Robeyns. ‘Het zijn niet de ontwikkelingslanden die hun emissies naar beneden moeten brengen. Die hebben daar geen problemen mee. Dat zijn wij. En de sterkste schouders moeten de zwaarste lasten dragen.’ Vanuit de klimaatethiek kunnen rijke landen minstens twee dingen doen om armere landen te helpen. Robeyns: ‘De eerste is zorgen voor clean energy tranfer. Dat wil zeggen: de technologie en infrastructuur leveren die het mogelijk maken om stabiele energievoorziening uit te bouwen zonder dat dit met een toename van broeikaseffecten gepaard gaat. Dat noemen we leapfrogging: armere landen kunnen dan de vervuilende fase in hun ontwikkeling overslaan. Verder kunnen we ze helpen met klimaatadaptatie, om zich te beschermen tegen wat er nu al gebeurt. Wij maken ons druk over 30 graden in de zomer: zullen we een airconditioning neerzetten? In Pakistan is er een maandenlange hittegolf met pieken tot 50 graden en hebben sommige mensen niet eens een fan.’ Ze besluit: ‘Het is toch onvoorstelbaar: Heel veel mensen daar gaan gewoon dood. En daar zijn wij medeverantwoordelijk voor.’ ◼

Deel dit artikel