Parlementaire enquêtes

Op dit moment staan er drie parlementaire enquêtes op stapel. Dat is meer dan ooit, tegelijkertijd althans. Sinds de invoering van het fenomeen, bij de Grondwetswijziging van 1848 en dus sinds het ontstaan van de moderne democratie, is er in Nederland in totaal twintig keer, de huidige drie niet meegeteld, een parlementaire enquête gehouden. Het waren er acht in de negentiende eeuw, de eerste in 1852, de laatste in 1887. Daarna volgde bijna een volledige eeuw dat er geen enquêtes werden gehouden, op een na: dat is de oorlogsenquête uit 1947-1956, naar het functioneren van het Londens kabinet. Maar afgezien van deze uitzonderlijke enquête duurde het maar liefst tot 1983 dat er opnieuw een parlementaire enquête werd gehouden. Dat is die naar de ondergang van het Rijn-Schelde-Verolme scheepsbouwbedrijf, in 1982. Vanaf dat moment ging het hard: IRT, Bijlmer, Bouwfraude, Srebrenica, Paspoort, Woningcorporaties. Gemiddeld een enquête in de 3 jaar. Opvallend aan de ontwikkeling van het fenomeen parlementaire enquête is dat de oorspronkelijke bedoeling een volstrekt andere is dan de huidige. Oorspronkelijk was een enquête bedoeld om inlichtingen in te winnen over een te nemen beslissing. Zo ging het bijvoorbeeld met de enquête naar de Toestand van de Zeemacht uit 1861-1862. Op basis hiervan beslisten Kamer en Kabinet dat Nederland zijn aloude maritieme pretenties beter kon laten varen. Het ontbrak aan middelen om de concurrentie aan te gaan. Eenzelfde problematiek, maar dan uitsluitend met betrekking tot de scheepsbouw, lag ten grondslag aan genoemde RSV-enquête. Maar het verschil is enorm: in de negentiende eeuw ging het om lopende of toekomstige zaken waarop beleid uitgezet moest worden en waartoe het de Kamer naar eigen inzicht aan kennis ontbrak. In de twintigste eeuw om voorbije zaken die nader bekeken en beoordeeld moesten worden. In beide gevallen stond waarheidsvinding centraal maar het doel verschilde.

Chris van der Heijden is historicus en publicist. Daarnaast doceert hij aan de School voor Journalistiek in Utrecht.

Zoals de eerste moderne enquête was, zo zijn de parlementaire enquêtes sindsdien gebleven. Stuk voor stuk hebben ze betrekking op zaken die achter de rug zijn en volgens een significant deel van publiek en politiek verkeerd zijn gelopen. Vandaar ook dat voor of na de enquête en naar aanleiding van de thematiek geregeld koppen vielen. Vervolgd werd er zelden, gestraft nauwelijks en indien wel, dan uitsluitend mild. Verder valt nog iets op. Om te beginnen dat de enquêtes veelal bevestigden wat ruimschoots bekend was. Daardoor betekende het onderzoek van de Kamer qua waarheidsvinding weinig meer dan zoiets als een stempel. Kwalijker nog – als een stempel kwalijk is althans – is dat het in vele gevallen daarbij bleef. Het debat na afloop was matig, de consequenties waren al getrokken, de enquête leek een ritueel. Een stempel en een ritueel? Dat kan niet de bedoeling zijn van het fenomeen parlementaire enquête. Het is te hopen dat de huidige drie meer betekenen dan dat.

Deel dit artikel