Volt

De drie zetels van Volt zijn een stille revolutie. Tot nu toe kwamen politieke partijen uit nationale bewegingen voort, en werkten ze in Europees verband samen met ideologisch min of meer gelijkgestemde partijen uit andere landen. Volt draait deze logica om: het is een Europese politieke partij die op zoek is naar nationale kiezers. Ze zal ook wel moeten. De lidstaten bepalen waar de Europese Unie over gaat, niet de EU zelf. Bovendien zijn de Europese Parlementsverkiezingen nationaal georganiseerd, dus heeft Volt nationale kiezersmarkten nodig om in Brussel en Straatsburg aan zetels te komen. De EP-verkiezingen van 2019 maakten dat duidelijk: bij gebrek aan transnationale kieslijsten deed Volt in ieder land apart mee. Dat leverde welgeteld één zetel op voor een Duitse afgevaardigde. Hoewel Volt van oorsprong geen Nederlandse partij is, waren onze verkiezingen cruciaal voor de levensvatbaarheid van de hele beweging. Het is namelijk nergens ter wereld zo gemakkelijk om een zetel te winnen als bij ons. Eén zetel op eigen kracht is genoeg, hoger is de kiesdrempel niet. Voor Volt was dat allesbepalend: als het hier niet lukt, dan lukt het nergens.

Gijs Jan Brandsma is universitair hoofddocent bestuurskunde aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Samen met collega’s Femke van Esch en en Jan Pieter Beetz schrijft hij bij toerbeurt over zaken die Europa aangaan. Het uitgangs­punt: de Europese Unie is meer dan Brussel alleen.

Waar komen die drie zetels eigenlijk vandaan? Zijn de standpunten van Volt uniek? Het korte antwoord is: nee, integendeel. Het lijkt wel of D66 het programma geschreven heeft. Volt wil meer Europese integratie, een ambitieus klimaatbeleid, een humaner vluchtelingenbeleid, en democratische vernieuwing. Op sociaal-economisch gebied neemt Volt een middenpositie in. Verder wil Volt stevig investeren in onderwijs, en zegt het ‘radicaal genuanceerd’ te zijn. Toch had Volt geen last van die gelijkenissen. Een mogelijke verklaring is de uitholling van het politieke midden. In reactie op de coronacrisis zijn veel partijen, maar vooral de PvdA, naar sociaal-economisch links opgeschoven. Daardoor zitten er nu minder partijen in het politieke midden dan normaal. Midden-kiezers die een online stemhulp invulden, kwamen daardoor gemakkelijker bij Volt uit. Een tweede verklaring wellicht is dat studenten teleurgesteld zijn in D66, dat medeverantwoordelijk is voor het leenstelsel en daar wel erg laat op teruggekomen is. Een soortgelijke partij, maar zonder bagage uit het verleden, is dan een redelijk alternatief. Juist vanwege de grote overeenkomsten met D66 wordt het interessant om haar gedrag in de Kamer te volgen. Enerzijds kan Volt de Tweede Kamer gebruiken als platform voor Europese politiek, net zoals sommige partijen het Europees Parlement juist gebruiken voor de nationale bühne. Maar anderzijds kan Volt ook D66 scherp houden. Juist omdat D66 prat gaat op pragmatisme in plaats van op ideologie, kleeft aan de partij het beeld dat ze zonder al te veel problemen draait. Dat kan zelfs om kroonjuwelen gaan, zoals bijvoorbeeld het intrekken van de referendumwet. Een partij als Volt kan dan ook een zekere gewetensfunctie vervullen.

Deel dit artikel