Ontslagen staatssecretaris

Staatssecretaris van EZ Mona Keijzer kon zich niet langer met het beleid van haar eigen kabinet verenigen. Beeld CC BY-NC 2.0, Roel Wijnants

Het is never a dull moment in de laatste dagen van het kabinet-Rutte III. Sinds de vorige aflevering van deze rubriek is de bewindsliedencarrousel vrolijk door blijven draaien met het ontslag van staatssecretaris Keijzer van EZ. Dat was onvermijdelijk – uitspraken doen die regelrecht ingaan tegen het kabinetsbeleid – maar ook ongehoord. Dat laatste geldt voor de aftocht: ze wenste niet de eer aan zichzelf te houden, wat in dergelijke situaties de min of meer nette uitweg is, maar moest door de baas naar huis worden gestuurd. Als je het zover laat komen, heb je geen sterk ontwikkeld gevoel voor wat politiek mogelijk is. De CDA-leden hadden dat kennelijk al eerder in de gaten, want bij de lijsttrekkersverkiezing in 2019 haalde ze niet meer dan 6 procent van de stemmen. Regelrecht ontslag van een bewindspersoon is uitzonderlijk. Het dichtst in de buurt komt de affaire rond staatssecretaris van Justitie Glastra van Loon, die in 1975 in een interview de ambtelijke top van het departement bekritiseerde. Minister Van Agt liet hem vallen en de ministerraad stemde vervolgens in met de voordracht tot ontslag, waarna zijn positie onhoudbaar was en hij opstapte. Het meest krasse staaltje van niet alleen verbaal maar ook feitelijk ingaan tegen het kabinetsbeleid was wel minister Irene Vorrink van Volksgezondheid, die zich in 1976 verzette tegen de door minister Van Agt voorgestelde sluiting van de Bloemenhove-abortuskliniek in Heemstede. Ze deed dat onder meer door vanuit het Catshuis actievoerders te waarschuwen dat er een ontruiming door de politie dreigde. Dat had zeker ontslag gerechtvaardigd, maar premier Den Uyl kon zijn rooie vrouw niet missen en dus bleef Vorrink in het kabinet. Met zo’n minister heb je geen oppositie nodig.

Woningcrisis

Voor iedereen die niet permanent onder een steen verblijft, is het duidelijk dat er een gespannen situatie op de woningmarkt is. Beeld Shutterstock

Het aloude begrip volkshuisvesting, waar ooit zelfs een apart ministerie voor was, is iets uit voorbije tijden. Voor iedereen die niet permanent onder een steen verblijft, is het duidelijk dat er een gespannen situatie op de woningmarkt is. De prijzen van koophuizen bereiken praktisch elke maand een nieuw record, betaalbare huurwoningen zijn er amper nog en wie noodgedwongen zijn toevlucht zoekt in een vrijesectorwoning krijgt daar soms te maken met nominale huren (vanaf … euro) waar je overheen moet bieden wil je een kansje maken. Niet zo gek dat er drukbezochte woonprotesten zijn. Ook al is er geen apart ministerie meer voor, je zou er als overheid iets aan kunnen doen, al was het maar omdat de Grondwet in art. 22, lid 2 stelt: ‘Bevordering van voldoende woongelegenheid is voorwerp van zorg der overheid.’ Daarvoor zou je bijvoorbeeld de verhuurderheffing af kunnen schaffen, zodat corporaties weer meer kunnen investeren in – jawel – volkshuisvesting. Maar de overheid wil het nog steeds niet echt horen, zo lijkt het. Een evaluatie van het Centrum voor Onderzoek van de Economie van de Lagere Overheden (COELO), in opdracht van onder meer Aedes en de VNG, kwam al in 2016 tot de conclusie dat de drie jaar eerder ingevoerde heffing die tot economische verstoringen leidt uit rechtvaardigheidsmotieven ‘moeilijk te verdedigen’ is. ‘Het is een omslachtig en bot instrument om scheefwonen tegen te gaan en het is onduidelijk waarom het rijk compensatie zou willen voor door het rijk zelf gegeven steun.’ Het Centraal Planbureau dacht er anders over: de financiële positie van de corporaties zou ondanks crisis en verhuurderheffing niet verslechterd zijn maar juist verbeterd. De investeringen – de bouw van sociale huurwoningen – waren weliswaar gedaald, maar het is onduidelijk in hoeverre de verhuurderheffing hier de oorzaak van is, of dat de daling geheel of voornamelijk het gevolg is van de crisis. Overigens waarschuwen beide onderzoeksinstellingen dat de heffing grote gevolgen voor het woningonderhoud kan hebben, met als gevolg later hogere onderhoudskosten. Onnodig te zeggen dat Den Haag de opvattingen van het CPB omarmde. De onderhandelaars over een nieuw kabinet zouden het COELO-onderzoek er misschien eens bij moeten pakken. De rooskleurige opvattingen van het CPB worden door de recente ontwikkelingen op de woningmarkt in ieder geval niet bevestigd.

Kritiek van buiten

Beeld Shutterstock

De Raad van Europa (1949) is zo’n instelling waar je niet veel van merkt; bekendste product van de raad is het EVRM-verdrag. Voor veel mensen zal het dan ook verrassend zijn dat er uit deze hoek stevige kritiek komt op de Nederlandse politieke en ambtelijke cultuur; gewoonlijk is dat een eer die lidstaten als Azerbeidzjan, Rusland en – heel actueel – Turkije ten deel valt. De Europese Commissie voor Democratie van de raad, ook wel de Venetië-commissie genoemd, stelt dat de bestuurscultuur moet veranderen. De raad oordeelt hard over het falen van de Belastingdienst en de rechterlijke macht in de toeslagenaffaire, de slechte communicatie tussen ambtenaren en politiek en waarschuwt dat er bij wet- en regelgeving meer aandacht moet zijn voor de uitvoerbaarheid. De raad concludeert ook dat Nederland over het algemeen een goed functionerende rechtsstaat is met sterke democratische instellingen. De problemen rond de toeslagen zijn serieus opgepikt door parlement, ombudsman en andere instanties, al heeft het veel langer geduurd dan nodig was. De voornemens die de minister-president begin dit jaar in een brief aan de Kamer heeft aangekondigd worden toegejuicht. Het is daarmee een rapport waar je in kunt winkelen: enerzijds bevat het forse kritiek, maar je kunt ook zeggen dat ondanks alles het glas halfvol is.

De kwestie-Hoekstra

Als Wopke Hoekstra geweten had dat hij ooit minister zou worden, had hij waarschijnlijk nog meer doorgepakt om van zijn investeringen via een brievenbusfirma op de Maagden-eilanden af te komen. Beeld Shutterstock

Nu de woede in de (sociale) media weer is weggeëbd en het rituele Kamerdebat met de net zo rituele excuses van de betrokkene alweer een poosje achter ons ligt, is er met een koeler oog te bezien wat er eigenlijk aan de hand was. Je kunt het Wopke Hoekstra moeilijk kwalijk nemen dat hij in 2006, toen er nog geen politieke carri`ere in het verschiet lag (laat staan een ministerschap), een investering deed om een ecovriendelijk vakantiebedrijf in Afrika van een ‘vrindje’ op de been te helpen. Dat bleek via een brievenbusfirma op de, laten we zeggen, fiscaal vriendelijke Maagdeneilanden te gebeuren. Gevolg daarvan was dat Hoekstra zich 15 jaar later in de Pandora Papers in het gezelschap bevindt van illustere figuren als koning Abdullah van Jordanië, president Poetin van Rusland en president Aliyev van Azerbeidzjan. In vergelijking met de tientallen of honderden miljoenen die deze grootvermogenden wegzetten, was Hoekstra met zijn 26.000 en nog wat euro’s natuurlijk maar een, lubberiaans gezegd, ‘kleine krabbelaar’. Hij meldde de investering bovendien braaf bij de Belastingdienst, verkocht de hele handel in 2017 toen hij minister werd en schonk de winst ook nog eens aan een goed doel. Niet echt een kwestie om je overmatig druk over te maken, want belastingparadijzen – inclusief Nederland – stonden 15 jaar geleden nog wat minder in een kwade reuk dan tegenwoordig. Eigenlijk is het vreemd dat Hoekstra zich toch genoodzaakt zag om excuus hiervoor aan te bieden, maar dat is het politieke ritueel in Nederland: na een misstap eerst door het stof, daarna mag je weer door. Dat excuus was trouwens tamelijk slap, het zou hem zijn ontgaan dat de belegging via de Maagdeneilanden liep. Dat is geen sterk verweer; van iemand die het tot minister van Financiën heeft geschopt mag je meer alertheid op financieel gebied verwachten.

Toeslagenaffaire

De toeslagenaffaire is een vlek die steeds groter wordt. Steeds als je denkt dat nu toch echt alles wel is langsgekomen, vallen er weer nieuwe lijken uit de kast. Zo is er het fameuze memo waarin juriste Sandra Palmen al in 2017 waarschuwde over de uit de hand gelopen fraudejacht en dat, volgens PwC die de gang van zaken onderzocht, door een combinatie van heel veel ongelukkige factoren in de spreekwoordelijke bureaulade terechtkwam waarna niemand er meer van wist. De PwC-onderzoekers schrijven vroom dat er ‘geen redenen [zijn] om aan te nemen dat het ministerie van Financiën ons toegang tot informatie of medewerkers of bewindspersonen heeft onthouden’. Na alles wat er intussen is gebeurd, zou je er bijna aan gaan twijfelen. Ook rechters hebben spijt, zo blijkt uit het onderzoek dat de Raad voor de rechtspraak liet uitvoeren: Recht vinden bij de rechtbank. Ze durven harde conclusies over zichzelf te trekken; dat biedt hoop voor de toekomst, al krijgen de huidige gedupeerden daardoor geen dag sneller hun geld terug. Daarna kwam de Nationale ombudsman met andermaal een rapport over de zaak, dat krachtig van toonzetting was. Ook ruim tweehonderd advocaten die gedupeerden bijstaan waren boos en beklaagden zich vervolgens in een brandbrief over de gebrekkige medewerking van de Belastingdienst (wachttijden zouden zijn opgelopen tot 24 maanden). Vervolgens verscheen er een onderzoek waaruit bleek dat er bij de Belastingdienst sprake is van een angstcultuur waardoor ambtenaren misstanden niet durven te melden. Daarna werd bekend dat ruim 1100 kinderen van toeslagenouders de afgelopen 5 jaar uit huis zijn geplaatst. Weliswaar is niet altijd vast te stellen of er verband met de toeslagen is, maar er is zeker sprake van overrepresentatie, aldus het CBS. En als “afmaker” kwam de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) met de constatering dat de dienst persoonsgegevens zo had verwerkt in haar Fraude Signalering Voorziening dat ‘veel van de kernbeginselen van de privacywet AVG door de Belastingdienst op ernstige wijze [werden] geschonden’. ‘Onschuldige mensen zijn hierdoor gedupeerd,’ aldus de AP. Dat is dan de oogst van een week of 6.

Deel dit artikel