Op naar liberalisme 3.0

Pleidooi voor nieuwe vormen van solidariteit

Tekst Ivana Ivkovic Beeld ANP

Terwijl veel bedrijven door de coronacrisis omvallen, gaan andere juist als een trein. Zou de winst van deze “winnaars” niet wat eerlijker verdeeld moeten worden? Winstmakers moeten meebetalen, kopte De Telegraaf. Ik vond die kop opvallend links klinken voor de “krant van wakker Nederland”. En nog opvallender: in de economie is het altijd zo dat sommigen winst draaien en anderen verliezen. Waarom wordt er nu opgeroepen om de buit eerlijker te verdelen? Ik opper mogelijke verklaringen en houd ze kritisch tegen het licht.

‘Is het immoreel om winst te maken tijdens een pandemie?’

Ten eerste: een crisis vraagt om meer solidariteit. Zouden we van bedrijven niet meer onderlinge solidariteit moeten verlangen? Dat klinkt op zichzelf mooi, maar sommige critici waarschuwen voor de schaduwkanten van “solidariteitsuitbreiding”. Zo betoogt bestuurskundige Margo Trappenburg in een artikel op de website van Sociale Vraagstukken dat zogenoemde coronasolidariteit ons niet gaat redden. Veel zaken die voorheen gewoon waren, zijn we gaan doen uit solidariteit, stelt ze. Wij gingen uit eten – toen dat nog kon – “voor de horeca”, en het leek er even op dat we naast de horeca, ook de winkels, de cultuursector en de topsport overeind wilden houden. Maar de rek is daar al gauw uit, waarschuwt Trappenburg. Wat voor de burgers geldt, gaat ook op voor bedrijven, lijkt mij. De goedbedoelde handreikingen zijn op een gegeven moment op. Het alternatief is om “passieve solidariteit” te regelen via afdwingbare regels. Als ik Trappenburgs algemene analyse vertaal naar het bedrijfsleven, zou het gaan om extra belastingen en steunpakketten. Dit is de meest gebruikelijke beleidsrichting, aldus Trappenburg, en ik denk dat dit ook doorklinkt in de oproep om mee te betalen. Maar wat ik interessant vind aan haar analyse, is dat Trappenburg ervoor pleit om niet blindelings die geijkte weg te kiezen en meer oog te hebben voor meer hybride en innovatieve oplossingen. Ik kan me voorstellen dat zo’n beleidsaanpak, juist als het gaat om het bedrijfsleven, meer kan opleveren dan herverdeling. Londen heeft sinds het begin van de epidemie juist veel geïnvesteerd in nieuwe kennisbanken en onlineplatforms die bedrijven moeten helpen om een nieuwe richting te kiezen. Er zijn dus meer manieren om ondernemers te helpen met ondernemen dan door ze direct geld te geven. Ik zou graag een proactievere opstelling van de overheid op dit gebied willen zien.

Lijkenpikkerij Een tweede verklaring van de oproep dat “winnaars” moeten meebetalen is een stuk somberder en wellicht cynischer. Ik vermoed dat achter dit argument een zeker moralisme schuilgaat, namelijk dat de winst tijdens de crisis wordt gezien als de winst dankzij de crisis, als een soort lijkenpikkerij. Is het immoreel om winst te maken tijdens een pandemie? Hoewel ik de woede en de verontwaardiging van de ondernemers begrijp die zelf zware klappen moeten opvangen als zij de stijgende winstcijfers van anderen zien, denk ik dat dit soort sentimenten geen goede basis zijn voor beleid. Bovendien leidt een directe koppeling met de crisis vaak af van de bredere vragen die uiteindelijk relevanter zijn. Neem als voorbeeld de winst van bedrijven als Bol.com of Thuisbezorgd. Moet hun winst aan de kaak gesteld worden? Ik zie geen zinvolle discussie ontstaan als we zulke vragen niet zien in een bredere context die los van corona staat. De winst van Bol.com bijvoorbeeld, had al gevolgen voor de kleine boekhandels en detailhandel al lang vóór corona. Is de winst voor corona eerlijk, en nu ineens niet meer? Daarnaast verbergt de moreel geladen taal van “winnaars” en “verliezers” de grote onderlinge verschillen die in die groepen bestaan, en biedt daarom geen geijkte maat om mee te meten. Bedrijven als KLM of Booking.com draaien ook verliezen, maar het is écht overdreven om te zeggen dat ze in hetzelfde schuitje zitten als de kleine horecaondernemers en andere zelfstandigen. Ook daarom zouden we moeten kijken naar de sociale context.

Ivana Ivkovic
is filosoof en schrijft over politiek en maatschappij. Dat combineert ze met het geven van cursussen en publieks­optredens. Voor meer informatie, ga naar haar website: nowishfulthinking.nl.

Vrij ondernemerschap Op deze manier lijkt er niet veel van die oproep over te blijven. En toch vind ik die conclusie nogal onbevredigend, want ik deel wel het gevoel dat deze crisis van ons vraagt om opnieuw na te denken over de verhouding tussen bedrijfsleven en maatschappij. De vraag is langs welke weg die discussie het beste kan worden geopend. De vraag naar de nieuwe vormen van solidariteit is inderdaad al vaker gesteld, maar een onderwerp dat niet zo prominent aanwezig is in het publieke debat is het onderscheid tussen publiek en privaat. Mijns inziens komt juist dit onderscheid in deze crisis onder druk te staan. Doorgaans is een beleid op basis van liberale uitgangspunten erop gericht om die grens tussen publiek en privaat te bewaken. Net zoals we een te grote staatsinmenging in de private sfeer van de burgers willen voorkomen, beschermen we de private belangen van bedrijven: vrij ondernemerschap. Anderzijds moet juist de publieke sfeer worden beschermd van een te grote macht van de private actoren; we eisen daar publieke en democratische controle op. Nu zijn die sferen al enkele decennia niet meer zo strikt gescheiden, er is een nieuwe vorm van liberalisme ontstaan dat filosoof Rutger Claassen liberalisme 2.0 noemt: privatiseringen binnen de publieke sfeer en een (quasi)publieke macht van, met name, grote bedrijven. Laat ik de volgende stelling poneren: het ziet er naar uit dat deze coronacrisis om een nieuwe invulling van die verhoudingen vraagt: op naar liberalisme 3.0. Ik zie de neiging van de gewone burgers om aanvankelijk uit eten te gaan “voor de horeca” niet slechts als een aardig gebaar of een teken van solidariteit, maar als een teken van erkenning van de publieke betekenis van private ondernemingen. Die erkenning is eigenlijk op een ongekende schaal gebeurd. Ongetwijfeld speelt de sympathie voor de kleine ondernemer ook een rol, maar in feite hebben we laten zien dat het ging om onze restaurants en onze terrassen, onze theaters en onze musea, onze winkeltjes. Het private wordt erkend als het publieke, en dat gaat veel verder dan financiële steunpakketten van de overheid.

Erkenning Andersom vraagt dit van de bedrijven om opnieuw hun publieke verantwoordelijkheid in te vullen, passend bij die publieke rol. Uiteraard zijn zaken als corporate responsibility en maatschappelijk verantwoord ondernemen niet nieuw, dus in zekere zin zijn de bedrijven al geruime tijd aan het nadenken over die rol. Maar daarbij gaat het vooral om maatschappelijke impact. Als deze crisis ons iets leert, dan is dat het idee dat de publieke verantwoordelijkheid niet langer kan worden gezien als een los aspect dat bovenop het ondernemerschap komt, en waar rekening mee moet worden gehouden. Wat ik liberalisme 3.0 noemde, vraagt er dus om die private en de publieke aspecten meer met elkaar te integreren. Dat is een heikele weg, voeg ik er onmiddellijk aan toe, want waar het onderscheid wegvalt, wordt het lastig om te voorkomen dat private belangen gaan prevaleren, of dat vrij ondernemerschap wordt gegarandeerd. Maar dat hoeft niet de uitkomst te zijn. Dit opent ook een deur naar een samenleving waarin ondernemerschap en engagement meer in elkaars verlengde liggen. Bovendien: wie wil bepalen wat de winnaars van deze crisis aan de anderen schuldig zijn, kan dit alleen een invulling geven vanuit de bredere opvatting van die publieke verantwoordelijkheid. ◼

‘Ondernemer­schap kan niet los worden gezien van engagement’

Deel dit artikel