Tekst Gert Riphagen

‘Corona is een levendige inspiratiebron voor nieuwe woorden’

Laatst vertelde iemand mij dat hij een pen en een notitieblokje naast zijn bed heeft liggen om bij onverhoeds ontwaken meteen een idee voor een tekst of een liedje op te kunnen schrijven. Sinds kort gebruikt hij daarbij een pen met een lampje. Om zijn echtgenote niet onnodig te hinderen. Niet alle ideeën zijn bovendien altijd even rijp om meteen te delen… De vraag “waar doe je inspiratie op voor het schrijven van een stukje tekst?” levert een baaierd aan antwoorden op. Zo deed Simon Carmiggelt de inspiratie voor zijn Kronkels vaak op in het café. Martin Bril stapte in zijn auto en reed domweg naar de één of andere plaats om eens te kijken of daar iets loos was. Er zijn mensen die de beste ideeën in complete isolatie krijgen, anderen krijgen juist inspiratie van drukte. Zelf doe ik de meeste inspiratie voor het schrijven op onder de douche. Wellicht zorgt de associatie van douchen met het veilige gevoel van de baarmoeder ervoor dat dan in complete zorgeloosheid de creativiteit bij mij loskomt, ik weet het niet. Maar na 10 minuten douchen is een column als deze van pakweg achthonderd woorden al vrijwel af. Heb ik wat meer tijd nodig voor inspiratie dan doe ik tegenwoordig via de app van de Hersenstichting een Ommetje van 20 minuten. 

De column is dan overigens slechts af in mijn hoofd. Ook al komt er wellicht ooit een tijd waarin de chemische reacties in mijn hersens gelijktijdig in fysieke tekst worden omgezet. Na het douchen of het Ommetje ligt de column dan al klaar op de printer. Zover is het nog niet, maar wetenschappers schijnen deze nieuwe werkelijkheid al voor zich te zien. Spelen met taal hoef je dan louter in je hoofd, maar wel in één keer goed te doen. Waaraan ontleen je inspiratie voor het schrijven van een stukje als dit? Vaak zijn dat opmerkingen in de krant, op de radio of televisie, of op sociale media, iets dat je leest in een boek, gesprekken die je voert of hoort, bijvoorbeeld in de trein. Of aan boeken over de Nederlandse taal. Die zijn er in alle soorten en maten. De inspiratie voor deze column ontleen ik aan het fraaie boek Alfabetbeter van de cabaretier Ronald Snijders en zijn schrijfkompaan Fedor van Eldijk. Het boek is een vervolg op hun eerste hit De Alfabetweter. In de nieuwe bundel introduceren zij – net als in hun eerste boek – duizend fictieve woorden met een uiteraard fictieve betekenis. Er komen nonsenswoorden voorbij zoals: de lepelstrekker (iemand die zijn mes wil trekken maar het verkeerde bestek van huis heeft meegenomen), de pestafette (dat je het stokje niet doorgeeft), replikaas (exact nagemaakte maar niet dezelfde kaas) en dartfalen (slecht zijn in darten). Deze hilarische vorm van neptaal is zeer aan te bevelen als het weer of het humeur, of beide, weer eens wat tegenzitten.

De coronatijd – waar we nu al sinds maart 2020 in verkeren – is niet alleen een levendige inspiratiebron voor nieuwe aan het virus of de bestrijding daarvan gelieerde serieuze nieuwe woorden, maar kan, de methode Snijders/Van Eldijk indachtig, onze woordenschat, met een knipoog, ook op een geheel andere wijze uitbreiden. Met nonsenswoorden. Een kleine greep uit de mogelijkheden:

Vacciberen Problemen die mensen hebben met – de gevolgen van – het vaccineren. Lees: beren op de weg zien. Ook wel: gedrentel bij de beslissing om je al dan niet te laten vaccineren. Evidemie Staat onomstotelijk vast dat sprake is van een epidemie, hoewel niet iedereen dat al ziet en anderen dat nooit zullen (willen) zien. Teslastraat Vaccinatielokatie waar louter Tesla-bezitters worden ingeënt. Piklocatie Vaccinatielocatie waar door gebrekkige veiligheidsmaatregelen geregeld vaccins worden gestolen die vervolgens op de zwarte markt verkocht worden. Anderhalveweter Iemand die veel meer denkt te weten dan op basis van zijn IQ verondersteld mag worden maar daar zelf niks van wil weten. 

Anderhalvewetersamenleving Samenleving waarin veel mensen veel meer denken te weten dan daadwerkelijk het geval is. Komt relatief veel in westerse landen voor.  Routepan Kookpan waarin afzonderlijke ministers hun plannen voor het oplossen van de coronacrisis doen om vervolgens goed doorgekookt uitgeserveerd (lees: afgeserveerd) kunnen worden.  Routehaard Vuurkorf waarin mislukte routeplannen verbrand worden; ook wel vuurarchief genoemd. Complotschenker Iemand die, dikwijls ongefundeerd, op grote schaal complotten schenkt aan de samenleving, vaak via de sociale media.

Pestconferentie Persconferentie waarin het kabinet zelf “gelekt” positief nieuws weer moet intrekken.

De lijst met nieuwe nonsenswoorden is oneindig groter te maken. Wat te denken van nieuwe woorden als: openingspan, mondhapje, mondhapjesplicht, corona­bassin, coronawee, handenplassen, R-gebral, pestsamen­leving, lockalike, risiloossamenleving, vaccinatie­choreografie, virusweerzin en verhoepelingen. Laat uw fantasie los op de betekenis ervan! Een andere wat bekendere loot aan de stam van de pleziertaal is die van de nonsens- of pleziergedichten, ook wel kolderrijmen genoemd. Een meester in dat genre was de Groningse taal- en letterkundige Daniël Gerhard van der Vat (1909-1977), als dichter bekend onder de naam Daan Zonderland. Hij wist met zijn rijmen de vaak veronderstelde kloof tussen poëzie en de gewone lezer moeiteloos te overbruggen. De publicist en taalkundige Battus schreef over de verzen van Zonderland ooit in Vrij Nederland: ‘Hij heeft een weemoedige toon. Er staan regels in die ook buiten de nonsenspoëzie prachtig zouden zijn.’ Een heel fraai voorbeeld hiervan is een gedicht van Daan Zonderland uit de kort na zijn dood samengestelde verzamelbundel Redeloze Rijmen en alle andere Verzen:

‘Het huuwlijk was geen succes. Ze kregen beiden psychoosjes. En boven hun beider graf Bloeien twee struiken neuroosjes.’

Deel dit artikel