Hoe krijg je PBM op de juiste plek?

Pepijn van den Broek: ‘Iedereen, van instellingen en veiligheidsregio’s tot RIVM, ministeries en inspecties, heeft een deel­verantwoordelijkheid als het gaat om PBM’

Tekst Roy Touker Beeld Hilbert Krane

Beschermingsmiddelen moeten niet alleen worden aangeschaft maar ook op de juiste plek terechtkomen. Dat betekent nadenken naar welke regio het meeste materiaal uit de landelijke voorraad gaat en waarom, en dit vervolgens organiseren. Belangrijke tip: laat de logistiek verzorgen door één grote organisatie met ervaring op het gebied van de distributie van medische hulpmiddelen.

Bedrijfskundige Françoise Dings voegde zich eind maart bij het toen net opgerichte Landelijk Consortium Hulpmiddelen (LCH). Met haar achtergrond – Dings is 8 jaar werkzaam geweest als bestuurder bij het fusieziekenhuis OLVG in Amsterdam en zijn voorganger Sint Lucas Andreas Ziekenhuis en was daarvoor algemeen directeur van een grote kraamzorgorganisatie – was zij een meer dan welkome aanvulling. In het beginstadium van het LCH stond ze op het gebied van directievoering LCH-teamleider Rob van der Kolk – uitgeleend door het Amsterdam UMC – bij. ‘Het consortium was net opgericht en er was veel werk aan de winkel. Eigenlijk te veel werk – de eerste twee maanden is er bij het LCH 24/7 gewerkt. De taken moesten nog verdeeld worden en een flink aantal zaken was nog niet geregeld. Het kwaliteitsmanagement moest opgezet worden, net als een manier voor fijn- en bulkdistributie. Er moesten bijvoorbeeld bestelportals gerealiseerd worden. Sinds half april zijn er twee portalen waar zorgorganisaties persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM) kunnen aanvragen. Ziekenhuizen, ambulancezorg en PBM-coördinatoren kunnen terecht bij de aanvraagportal van OneMed/QRS. Alle andere zorgorganisaties in de verdeelsystematiek van VWS, zoals verpleeg- en verzorgingshuizen en GGZ, kunnen het aanvraag­portal van Mediq gebruiken.’

Françoise Dings: ‘Sinds half april zijn er twee portalen waar zorg­organisaties persoonlijke beschermingsmiddelen kunnen aanvragen’

Distributie Pepijn van den Broek is al sinds 4 maart coördinator/projectleider PBM vanuit GGD GHOR Nederland. Hij is belast met het coördineren van de elf regionale PBM-organisaties binnen de regio’s van het ROAZ (Regionaal Overleg Acute Zorgketen, red.). Samen met een tweetal collega’s coördineerde hij de bovenregionale inzet en was hij namens de GGD'en/GHOR's het koppelpunt richting enerzijds het crisisteam en de directie van GGD GHOR Nederland en de Raad van Directeuren Publieke Gezondheid en anderzijds het LCH en het ministerie van VWS. Bij de eerste fase van de landelijke inkoop van persoonlijke beschermingsmiddelen coördineerden Van den Broek en zijn collega’s de inzet van elf PBM-coördinatoren uit de regio, onder andere als het ging om de distributie van de landelijke voorraad. ‘Dit betekende nadenken naar welke regio het meeste materiaal uit de landelijke voorraad moest en waarom en dit vervolgens organiseren met behulp van de PBM-coördinatoren en transporteurs.’ Vanaf het moment dat het LCH actief was, werkte hij samen met het consortium om de regionale ROAZ-structuur zo goed mogelijk te laten aansluiten op de organisatie.

Logistiek en distributie LCH

Deelverantwoordelijkheid Helaas bleek de praktijk weerbarstig, aldus Van den Broek. ‘Bestaande crisisstructuren, denk ik, werkten toch niet zo goed. De bijzondere leiding en coördinatie van dit incident leken, zeker in het begin, vanuit het ministerie te komen, terwijl de nationale crisisbeheersstructuur – de Interdepartementale Commissie Crisisbeheersing (ICCb) en de Ministeriële Commissie Crisisbeheersing (MCCb) – hiervoor is bedoeld.’ Ook bleek de wettelijk geregelde verantwoordelijkheidsverdeling lastig. Van den Broek vervolgt kritisch: ‘Iedereen, van instellingen en veiligheidsregio’s tot RIVM, ministeries en inspecties, heeft een deelverantwoordelijkheid als het gaat om PBM. Dit leidt nog steeds tot veel onduidelijkheid en onbegrip.’ In zijn optiek bleef ook lang onduidelijk wat de maatgevende scenario’s zijn als het gaat om de opbouw van PBM-voorraden. Van den Broek komt als voorbeeld met een rekensom: ‘In een reguliere situatie is de landelijke vraag naar PBM "X" en is de extra vraag bij een flinke virusuitbraak "Y". De maximale vraag in Nederland is dus X plus Y per week dan wel maand. Als je dat aantal vermenigvuldigt met bijvoorbeeld 8 weken is dat de voorraad die we landelijk beschikbaar moeten houden. Het heeft lang geduurd voordat dit soort scenario’s duidelijk werd gecommuniceerd.’

Terugkijkend op het LCH koestert Dings dat ze een maatschappelijk doel heeft kunnen dienen, net als de saamhorigheid die ontstond bij al die “vogels van verschillende pluimage”. Het LCH is voor haar ook hét schoolvoorbeeld van publiek-private samenwerking geworden. ‘Het is goed dat de overheid heeft kunnen zien dat zoiets als het LCH niet zonder een publiek-private setting kan. Door die samenwerking in crisistijd hebben we het voor elkaar gekregen. Tijdens een crisis heb je nu eenmaal alles en iedereen hard nodig. De overheid zou die samenwerking op meerdere terreinen moeten zoeken. In de maatschappij zijn veel kennis en expertise aanwezig en die kan de overheid gebruiken.’ Van den Broek heeft, met de kennis van nu, nog een aanbeveling. ‘We hebben op een aantal terreinen te veel zelf willen doen vanuit de crisisorganisaties in plaats van direct gebruik te maken van personen en organisaties met kennis van inkoop en distributie. Achteraf gezien was het logischer en slimmer geweest om de landelijke inkoop van PBM direct door inkopers van de commerciële leveranciers te laten doen en de logistiek bijvoorbeeld te laten uitvoeren door één grote organisatie met ervaring op het gebied van distributie van medische hulpmiddelen. Zeker in het begin hadden we te maken met ervaren en minder ervaren partijen die het wiel zelf nog moesten uitvinden. Daarvan hebben we geleerd.’ ◼

Deel dit artikel