Klaar voor de burger?

Angst verlamt gemeenten

Klaar voor de burger?

Angst verlamt gemeenten

Tekst Pieter Verbeek Beeld Nationaal Programma RES

Onlangs hebben de dertig energieregio’s in ons land een concept-Regionale Energiestrategie (RES) ingediend. De komende maanden moet duidelijk worden hoe groot het draagvlak in de samenleving is. Omdat zij de nauwste banden hebben met bewoners en maatschappelijke partners komt participatie vooral op het bordje te liggen van de gemeenten, maar dat brengt een risico met zich mee. De angst voor de boze burger lijkt in sommige gevallen tot verlamming te leiden.

Een Regionale Energiestrategie kan alleen maar succesvol zijn als lokale maatschappelijke partijen en bewoners er van het begin af aan bij worden betrokken

De dertig Regionale Energiestrategieën (RES'en) moeten in 2030 gezamenlijk 35 terawattuur (TWh) aan duurzame elektriciteit uit zon en wind opleveren. Afgelopen zomer stelde het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) dat dit doel waarschijnlijk vrij gemakkelijk zal worden gehaald: 26 TWh is al gerealiseerd of zit in de pijplijn, vergunningen voor projecten zijn afgegeven, of er wordt al gebouwd. Over de rest van de TWh vinden gesprekken plaats. De meeste regio’s kiezen vooral voor zon in plaats van windmolens. Momenteel onderzoekt het PBL de conceptvoorstellen van de energieregio’s op haalbaarheid en uitvoering. De regio’s werken de komende maanden hun concept verder uit tot een zogeheten RES 1.0, die volgend jaar 1 juli klaar moet zijn. Eerste gedachtenlijn Dat het landelijk doel nu al in zicht lijkt, is goed nieuws. Kristel Lammers, directeur van het Nationaal Programma Regionale Energiestrategieën (NPRES), dat de regio’s ondersteunt en coördineert, is dan ook tevreden over de eerste opbrengst van de conceptvoorstellen. ‘Het ziet er goed uit. Ze laten een eerste gedachtenlijn zien welke bijdrage provincies, gemeenten, waterschappen en maatschappelijke partners vanuit hun regio denken te kunnen leveren richting 2030. Er is ontzettend veel werk verzet, ondanks uitdagingen zoals corona. Ik had een jaar geleden nog niet kunnen dromen dat we al hier zouden staan.’ Toch moet er nog veel gebeuren, stelt ze. ‘De voorstellen vragen echt nog om een verdieping van inhoud. Hoe gaan we onze keuzes inpassen in de openbare ruimte, terwijl we ook te maken hebben met meer woningbouw, een landbouwtransitie en de stikstofdiscussie? Hoe gaan we, wanneer steeds meer mensen zonnepanelen hebben op het dak, de opgewekte stroom op een goede manier het net op krijgen? Gaan mensen de kosten daarvan in hun portemonnee voelen? Zijn we ons ervan bewust dat kiezen voor zon betekent dat er ook extra elektriciteitsmasten en transformatorhuisjes bijkomen in het landschap?’ De komende maanden moet duidelijk worden hoe groot het draagvlak in de samenleving is voor het opwekken van duurzame energie in de regio. Ook zullen spanningen aan het licht komen tussen de regionale RES-ambities en de autonomie van gemeenten, waterschappen, provincies en het rijk, voorspelt Lammers. ‘Daarom gaan we de komende periode in verdiepende gesprekken tussen regio’s, het rijk, koepels, netbeheerders en bedrijven op zoek naar oplossingen voor dit soort vragen.’

‘Met participatie is tot nu toe nog niet zoveel gedaan’

‘De overheid is te veel van grote stappen snel thuis’

Bewoners In het Klimaatakkoord is afgesproken dat ook bewoners zoveel mogelijk worden betrokken bij het proces rond de Regionale Energiestrategieën. Bijvoorbeeld door het stimuleren van bewonersbetrokkenheid rond het opwekken van duurzame stroom in een wijk of dorp. Of door hun de mogelijkheid te geven om financieel te participeren in projecten. De RES’en streven dan ook naar 50 procent lokaal eigendom in 2030. ‘Dit houdt in dat de opbrengst van duurzame energieopwekking terugstroomt in de eigen regio, en niet naar een grootschalige commerciële partij in het buitenland,’ legt Lammers uit. ‘Bewoners kunnen financieel participeren door te investeren of door zich aan te sluiten bij een energiecoöperatie.’ Met participatie is volgens het PBL tot nu toe nog niet zoveel gedaan. Brede participatie vindt slechts plaats in één op de drie conceptvoorstellen. Daar staat tegenover: bij bewoners is er (nog) niet veel animo. ‘Lammers: ‘De komende periode zal een groeiend aantal gemeenten bewoners uitnodigen die mee willen praten, bijvoorbeeld via huis-aan-huisbladen of via online enquêtes.’ Participatie Een RES kan alleen maar succesvol zijn als lokale maatschappelijke partijen en inwoners van het begin af aan worden betrokken en geactiveerd, concludeert bijvoorbeeld de Participatiecoalitie. Door samen te werken aan de energietransitie worden inwoners ambassadeurs van die transitie, stelt het samenwerkingsverband van klimaat- en inwonersorganisaties. Vooralsnog zijn het echter vooral professionals die zijn betrokken bij de regionale energiestrategieën, zegt Marjan Minnesma, directeur van de landelijke organisatie voor duurzaamheid en innovatie Urgenda. ‘De RES’en zijn nog te veel van bovenaf opgelegd. Ik denk dat de invulling ervan veel kleinschaliger kan. Juist door bewoners er meer bij te betrekken. Gebruik de daken, fabrieken en muren voor zonnepanelen. Bouw daken boven parkeerplaatsen met zonnepanelen, of plaats ze boven fruit. Dan hoef je ook geen weilanden op te offeren. Er kan veel meer dan mensen denken. De overheid is nog te veel van grote stappen snel thuis. Er zijn in Nederland vijfhonderd à zeshonderd kleine energiecoöperaties, die maken maar een paar procent uit van de markt. Het wordt allemaal aantrekkelijker maken als we meer van hun energie afnemen. Daar moeten we als overheid op sturen.’ Om bewoners meer te laten meedenken over de regionale energieopwekking raadt Minnesma het gebruik aan van regionale burgerberaden, de zogeheten Citizens’ Assembly: daarin doet een groep willekeurig gelote burgers door middel van deliberatie aanbevelingen over complexe onderwerpen. ‘Ierland heeft er onlangs gebruikt van gemaakt voor moeilijke thema’s als abortus en klimaat. En dat werkte verrassend goed. Over klimaat was 97 procent van de mensen in het burgerberaad het onderling met elkaar eens, 80 procent was zelfs bereid om meer belasting te accepteren als de overheid meer stappen zou nemen tegen klimaatverandering.’ Participatie komt vooralsnog echter maar dunnetjes terug in de concept-RES’en, vindt ook Manuel den Hollander van de Vereniging van Energiecoöperaties en -initiatieven Noord-Holland (VEINH). ‘Het moet veel eerder plaatsvinden. Hoe eerder je bevolking erbij betrekt bij planvorming hoe minder problemen er later zijn. Ga die planvorming niet eerst dichttimmeren met deskundigen. Het gevolg is dat dan lokale media negatief erover berichten. Overal op papier stellen hoe belangrijk participatie wel niet is, is gemakkelijk. Maar gemeenten moeten het ook echt gaan doen. Dat vergt vaak een volkomen andere houding.’

Draagvlak Omdat zij de nauwste banden hebben met bewoners en maatschappelijke partners komt participatie vooral op het bordje te liggen van de gemeenten. De Participatiecoalitie ziet hier een risico in. Veel gemeenten hadden het financieel al zwaar en dat is door de effecten van de coronacrisis alleen maar groter geworden, aldus de coalitie op haar website. Het is de vraag of ze voldoende tijd, geld en capaciteit hebben om te investeren in goede procesparticipatie naar RES 1.0. Ook het gebrek aan bekendheid over de plannen van het Klimaatakkoord leidt tot afnemend vertrouwen en gemor op de overheid, aldus de coalitie. Daarom pleit ze voor “een stevige impuls en ondersteuning vanuit de rijksoverheid”. De angst voor de boze burger leidt tot verlamming in veel gemeenten, ziet ook Den Hollander. ‘Daarom is het zo belangrijk dat je als overheid, als wethouders en raadsleden, met rechte rug naar buiten treedt over de energietransitie en hoe belangrijk het is. Dan zorg je er voor dat er ruimte ontstaat voor een gesprek. Als energiecoöperatie kunnen we mooie projecten opzetten maar draagvlak is een ander verhaal. Draagvlak maak je niet, dat krijg je. Echte goede participatie zie ik dan ook als de grootste opgave in de energietransitie. De techniek en het geld is er wel, en de regelgeving kan worden aangepast als overheden zich erover buigen. Maar het gaat om het draagvlak.’ Om gemeenten te ondersteunen bij participatietrajecten heeft het NPRES twee weken geleden de online leeromgeving Energieparticipatie.nl opgezet. Ook ondersteunt het nationaal programma gemeenten met een pool van experts en kennisbijeenkomsten. ‘We moeten het samen doen,’ vult Lammers aan. ‘We zijn bezig met een energietransitie richting een schonere wereld in 2050. Voor onze kinderen maar ook voor de kinderen van onze kinderen. Daarvoor moeten we met elkaar een gelijkwaardige manier van samenwerken organiseren, niet alleen voor de 2030-doelstelling maar ook voor erna. Ik denk dat die manier van samenwerken tussen de verschillende spelers het fundament en het cement is voor de toekomst.’ ◼

Deel dit artikel