De transitie van de gebouwde omgeving lukt niet door alleen voorlopers te faciliteren

‘Wachten is geen optie’

Tekst Maurits van den Toorn

Beeld Hollandse Hoogte/Flip Franssen

Gaandeweg wordt duidelijk wat er allemaal komt kijken bij het aardgasvrij maken van alle wijken in Nederland. De energietransitie is een ontwikkeling die veel praktische én juridische haken en ogen heeft, vertelt Lot van Hooijdonk, wethouder mobiliteit, energie en groen in Utrecht en voorzitter van de VNG-commissie Economie, Klimaat, Energie en Milieu. Ondanks die haken en ogen is afwachten geen optie, we moeten nú beginnen. ‘Alleen door het te gaan doen, leren we wat we nog te organiseren hebben.’

In Enschede legt men stadsverwarming aan; de warmte komt van vuil- en afvalverbranding

Lot van Hooijdonk
‘Hoe later we beginnen, hoe harder we moeten werken’

De grote rol voor gemeenten bij het aardgasvrij maken is opvallend, want tot dusverre hielden ze zich immers niet of nauwelijks met de energievoorziening bezig. Het is desondanks een vanzelfsprekende keuze, vindt Van Hooijdonk. ‘De transitie van de gebouwde omgeving lukt niet door alleen voorlopers te faciliteren in de verwachting dat de rest dan wel volgt. Het is zo’n groot project dat een systematische aanpak nodig is, waarbij de overheid het voortouw neemt. De keuze voor de gemeenten is logisch, want het aardgasvrij maken van acht miljoen adressen kun je alleen maar goed op gemeentelijk niveau organiseren.’

Bij de transitie gaat het om drie kernbegrippen: regie, planmatig en gebiedsgericht. ‘Die drie uitgangspunten zijn inmiddels algemeen geaccepteerd, dat was vijf jaar geleden nog niet zo. De aardbevingen in Groningen hebben ons geholpen bij de bewustwording dat we van het aardgas af moeten. En we hebben daardoor ook geleerd om te denken vanuit de warmtebron en niet, zoals vroeger, vanuit de individuele gebruiker die z’n huis moet isoleren.’

Het is overigens vooral in het oosten van het land nog steeds een lastig verhaal dat we van het aardgas af moeten, want daar zien mensen dat aan de andere kant van de grens juist wordt gewerkt aan de overgang náár aardgas. ‘Maar daar gaan ze van veel viezere brandstoffen af, zoals bruinkool, en ooit zal daar nog een tweede energietransitie nodig zijn. Ik heb geen glazen bol, maar ik sluit niet uit dat we over dertig jaar tot de conclusie komen dat we het hier met de transitie slim hebben gedaan.’


Gebouwgebonden financiering

De Regionale Energiestrategieën (RES) gaan over het aanbod aan duurzame energie, terwijl de (meer decentralere) wijkstrategieën juist betrekking hebben over de vraag. Een centrale rol bij het matchen van die twee is weggelegd voor de netbeheerders. Van Hooijdonk: ‘Het hele netwerk moet worden aangepakt, zowel als het gaat om collectieve warmte als om elektriciteit. De netbeheerders krijgen een veel intensievere rol dan tot nu toe. Ze moeten zich bezig gaan houden met de aanbodkant en met de gemeenten aan tafel om mee te denken over de besluiten die nodig zijn.’

Bovenop het zwaardere beroep op het netwerk vanuit de gebouwde omgeving komt de toename van het aantal elektrische auto’s. Ook het groeiende aantal laadpalen vraagt steeds meer vermogen en dus geld voor verzwaring van het netwerk. ‘Anderzijds hebben meer elektrische auto’s ook een voordeel, ze kunnen bufferen en stroom aan het net terugleveren waardoor piekbelastingen worden verminderd of verdwijnen.’

Essentieel element bij de energietransitie is gebouwgebonden financiering. Aanpassingen aan een woning om deze te verduurzamen kosten geld, maar daar staat tegenover dat de energierekening omlaag gaat. Het streven is dat de woonlasten gelijk blijven, terwijl het huis verbetert door onder meer betere isolatie. Maar als de eigenaar van een aangepaste woning na een paar jaar besluit om zijn huis te verkopen, heeft hij zijn investering er nog lang niet uit. ‘De oplossing daarvoor is zogeheten gebouwgebonden financiering waarbij zo’n lening aan het huis gebonden is. Als je verhuist, verkoop je de lening met het huis mee. Daar zitten nu nog juridische haken en ogen aan, een lening is nu altijd persoonlijk. Om deze manier van financieren met het overdragen van leningen mogelijk te maken, moet het Burgerlijk Wetboek worden aangepast.’

Als de transitie op stoom komt, zouden er standaardpakketten voor het aanpassen van woningen moeten komen, inclusief financieringsmogelijkheden. ‘Ik noem dat de IKEA-constructie: modulaire pakketten die naar eigen smaak aangepast kunnen worden, terwijl de achterliggende techniek standaard is. Nu bestaan dergelijke pakketten nog niet, maar ze worden mogelijk als we opschalen van maatwerk naar fabriekswerk. Bovendien dalen de kosten bij toenemende schaalgrootte.’


Leidraad

Het is de bedoeling dat elke gemeente uiterlijk eind 2021 een zogenoemde Transitievisie Warmte heeft opgesteld met een overzicht van de aanpak per wijk. Om daarbij te helpen is eind oktober de Leidraad aardgasvrije wijken verschenen, samengesteld door, aldus Van Hooijdonk, een heel conglomeraat van verstandige mensen bij onder meer het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL), overheden en de VNG. De leidraad, die te vinden is via de website van het Expertise Centrum Warmte, bevat een startanalyse van het PBL en een handreiking voor lokale analyse die gemeenten met lokale data kunnen verrijken. ‘Die leidraad is voor iedereen beschikbaar en geeft een idee hoe te beginnen. Daarna kunnen gemeenten uitvoeringsplannen per wijk opstellen; over die plannen moet de raad vervolgens een oordeel geven. Het streven is de transitievisie elke vijf jaar te herijken.’

‘Enerzijds zet je in zo’n document lijnen uit voor de langere termijn, wat onder meer voor de investeringen van de netbeheerders van groot belang is. Anderzijds kun je met een herijking de plannen steeds aan de nieuwste technische en maatschappelijke ontwikkelingen aanpassen. We weten dat er betere alternatieven komen, maar die worden pas ontwikkeld als we dingen in productie hebben en door de opgedane ervaringen weten wat we moeten verbeteren.’

Wachten is in ieder geval geen optie, waarschuwt ze. ‘De omwenteling zal de komende 30 jaar plaats moeten vinden en dat betekent dat we er nu mee moeten beginnen. Utrecht wil de eerste 40.000 adressen in 2030 gedaan hebben. Hoe later we beginnen, hoe harder we daarna moeten werken.’ ◼

‘Het streven is dat de woonlasten gelijk blijven’

Deel dit artikel