Verdiep je in elkaars belangen

Innovatie is niet alleen technologie, maar ook gedrag

Tekst Maurits van den Toorn Beeld Hollandse Hoogte, Rijksvastgoedbedrijf en Dutch Green Building Council

Toekomstbestendig bouwen is op zichzelf niet zo ingewikkeld, zeggen Annemarie van Doorn van de Dutch Green Building Council en Frans Deeleman van het Rijksvastgoedbedrijf. Vaak gaat het mis in het proces ernaartoe. De complexiteit zit in samenwerking, de omgang met elkaar en het vastleggen van risico’s.

Volgens Frans Deeleman kan het rijk door schaalgrootte, expertise en netwerken het voortouw nemen bij gebiedsgeoriënteerde vraagstukken

‘Het rijk heeft minder slagkracht dan vroeger’

Toekomstbestendig en duurzaam bouwen is essentieel om de doelstellingen op het gebied van energietransitie en klimaatadaptatie te halen. De gebouwde omgeving in Nederland is immers goed voor bijna 40 procent van het energieverbruik en bijna een derde van de CO2-emissies. Maar duurzaamheid is veel meer dan dat, het staat ook voor leefbaarheid, gezondheid, recreatie, een inclusieve samenleving, landschap en natuur en cultuurhistorie. Echt duurzaam bouwen en ontwerpen zijn dan ook gecompliceerd, stelt Annemarie van Doorn, directeur van de Dutch Green Building Council, een netwerkorganisatie met zo’n 380 partners die streeft naar het snel toekomstbestendig maken van de gebouwde omgeving. ‘Het is een ingewikkelde opgave omdat er zoveel thema’s spelen en omdat het een kwestie is van de lange termijn waarvoor we nu keuzes moeten maken. Daarom is iedereen aan zet, of het nu de overheid is of de markt. De markt van ontwikkelaars, banken en bouwers neemt de doelstellingen serieus, wij jagen aan zodat partijen echt aan de slag gaan – niet alleen met de energietransitie, ook met klimaatadaptatie, circulariteit, gezondheid en mobiliteit. Duurzaamheid is een heel breed palet.’

Minder slagkracht Het klassieke model waarbij de overheid met beleid en regels bepaalt wat er moet gebeuren en de uitvoering vervolgens aan de markt overlaat is echt verleden tijd, verzekert Frans Deeleman, programmadirecteur van het Regionaal Ontwikkelprogramma bij het Rijksvastgoedbedrijf (RVB). Door de decentralisatie van de ruimtelijke ordening heeft het rijk op het gebied van de gebouwde omgeving weliswaar minder slagkracht dan vroeger, maar is desondanks nog steeds een belangrijke partij bij verduurzaming. Grote uitvoeringsorganisaties als Rijkswaterstaat, Staatsbosbeheer en het Rijksvastgoedbedrijf kunnen “complexe interventies” in stedelijk gebied uitvoeren. ‘Via de eigendomspositie kan het rijk nog steeds impact hebben; het RVB heeft een vastgoedportefeuille met 12 miljoen vierkante meter bruto vloeroppervlakte en het beheert grond die het rijk bezit. Minister Knops van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zet in op goed rentmeesterschap en maatschappelijke thema’s als klimaatadaptief bouwen en de energietransitie. Je kunt dergelijke problemen als rijksoverheid niet in isolatie oplossen, je moet ook kijken naar wat er om je gebouwen heen gebeurt aan wonen, werken en recreëren. En het rijk heeft veel expertise in huis als het bijvoorbeeld gaat om aanbesteden, publiek- private samenwerking, engineering, klimaatadaptatie en de energietransitie. Dat is allemaal in te zetten voor maatschappelijke thema’s binnen de projecten van het Regionaal Ontwikkelprogramma.’

Risicomanagers Samenwerken met de markt heeft nog een voordeel, ziet Deeleman. ‘Deelnemende bedrijven mogen dan wel elkaars concurrenten zijn, maar ze hebben ook een gemeenschappelijk belang en gemeenschappelijke ambities. Oplossingen die bedacht worden moeten ook echt werken. Marktpartijen zijn natuurlijk niet helemaal altruïstisch, er zit ook een groot financieel belang op langere termijn achter en dat is prima! Bedrijven die meedoen zijn mijn beste risicomanagers: als zij zeggen dat iets echt niet kan, dan moeten we het niet doen.’

Het gaat trouwens niet alleen om de combinatie van overheid en marktpartijen, ook binnen de overheid is meer samenwerking nodig, waarschuwt Van Doorn. ‘Ook binnen organisaties als gemeenten zijn er uiteenlopende belangen, tussen bijvoorbeeld de afdeling groen die een “groen voorstel” van een marktpartij steunt, terwijl de afdeling grondexploitatie vooral oog heeft voor rendement en geen lagere grondprijs daarvoor wil berekenen. Ontwikkelaars willen best investeren in de ruimte om hun gebouwen heen om zo de leefbaarheid te verbeteren, maar zo’n voorstel sneuvelt soms terwijl het toch om een maatschappelijk belang gaat. Op die manier wordt het wel lastig om je ambities te realiseren. Dat is zorgelijk, want als we zo doorgaan is er geen ruimte voor groen en dat gaat ten koste van de leefbaarheid.’

We zijn goed in polderen, aldus Annemarie van Doorn, maar we blijven vaak nog “doormieren” nadat er een besluit is genomen

Gebiedsgericht Een voorbeeld van gebiedsgerichte samenwerking tussen verschillende overheden en marktpartijen is EnergieRijk Den Haag, waarin rijksoverheid, de provincie Zuid-Holland en de gemeente Den Haag samen hun vastgoed verduurzamen. Het doel is om de belangrijkste overheidsgebouwen in Den Haag in 2040 klimaatneutraal te hebben. Om dat te bereiken is technisch en economisch schaalgrootte nodig. Deeleman: ‘We hebben daarom een alliantie gesloten van overheden, gebouwenbeheerders, bouwbedrijven, de Nationale Politie, UvW, BNG, de SER en de Hoge Colleges van Staat. In september 2018 is de Green City Deal getekend, we hebben een handelingsperspectief ontwikkeld – de Trias Territoria – en nu zijn we aan de slag: energiebesparing door isoleren, slimmer energiegebruik door een betere aansturing van de klimaatinstallaties, WKO’s (warmte- en koudeopslag, red.) gebiedsgericht aan elkaar koppelen, het stimuleren van de ontwikkeling van geothermie, steeds lokaler inkopen van elektriciteit, slim uitvragen bij aanbesteden, innovaties toepassen en andere vormen van samenwerking ontwikkelen. Het idee is om dit voor alle overheidskantoren te gaan doen. Wat we leren, stellen we elders in Nederland beschikbaar. Dat is goed rentmeesterschap.’

Momenteel wordt onderzocht of deze samenwerking verder kan worden uitgebreid. ‘Kan opgeslagen warmte ook voor woningen in de omgeving worden gebruikt? Als je toch een netwerk met warmte/koudebronnen aanlegt, moet je dat dan alleen voor kantoren gebruiken of sluit je andere panden waar de leidingen langslopen daar ook op aan? Is dat technisch, economisch en juridisch haalbaar? Hoe hanteer je de risico’s? Wie is waarvoor verantwoordelijk? Dergelijke vragen spelen overal, en niet iedereen heeft de slagkracht om dit uit te laten zoeken. De overheid kan de rol van katalysator op zich nemen, zodat anderen kunnen meeprofiteren en uiteindelijk de hele samenleving er baat bij heeft.’

Tuintjes Het zijn gecompliceerde processen waar de techniek maar een relatief beperkt onderdeel van is. Van Doorn: ‘Mooie gebouwen neerzetten is helemaal niet zo ingewikkeld, maar het gaat vaak mis in het proces ernaartoe. Je vraagt je wel eens af waarom we niet de juiste keuzes maken terwijl we uiteindelijk allemaal een duurzame ambitie hebben en de Parijs-doelstellingen willen bereiken.’

Deeleman ziet dat ook: ‘Innovatie is niet alleen technologie, maar ook gedrag. De complexiteit zit niet aan de technische kant, maar in samenwerking, alles goed organiseren, de omgang met elkaar, het vastleggen van risico’s. Het belangrijkste is het gesprek met elkaar aangaan om tot goede oplossingen te komen.’

Het recept daarvoor: verdiep je in elkaars belangen. Van Doorn: ‘Laat overheden eens wat vaker met beleggers praten en samen verkennen wat de wederzijdse belangen zijn. Laat je als ambtenaar ook eens adviseren over andere onderwerpen dan techniek, luister vooral ook eens naar wat de mensen vinden van alle veranderingen waarmee ze worden geconfronteerd. Wie gehoord wordt, voelt zich serieus genomen. Neem mensen ook serieus door ze ruimte te geven om zelf dingen te doen. Een simpel voorbeeld is de aanleg van tijdelijke tuintjes op braakliggende terreinen. Mensen doen dat zelf, het kost niets, maar bestuurders willen dat vaak niet vanwege precedentwerking, terwijl dergelijke plekjes vrije ruimte in de stad heel belangrijk zijn voor het welzijn.’

Inleven We zijn goed in polderen, ziet Van Doorn, maar we blijven vaak nog “doormieren” nadat er een besluit is genomen. ‘De deelnemers doen dan uiteindelijk toch niet wat er was afgesproken, of ze doen het anders. Dat is heel Nederlands, maar als we sneller willen verduurzamen moeten we daarmee ophouden. Alles om duurzaam te bouwen is er, ook het geld, maar desondanks gaat het heel langzaam omdat we nog steeds te veel zijn gefocust op de korte termijn. Veranderingen vinden we ingewikkeld, we kunnen ons niet inleven in de lange termijn, maar juist nú moeten we beslissingen nemen en keuzes maken over hoe we willen dat onze gebouwde omgeving er over 100 jaar uitziet.’

Deeleman: ‘Door schaalgrootte, expertise en netwerken kan het rijk het voortouw nemen bij gebiedsgeoriënteerde vraagstukken, waaronder de energietransitie. Het uitgangspunt is steeds: kunnen we synergie bereiken door dingen breder te trekken en slimme allianties aan te gaan? Geen enkele partij kan het alleen, de opgave raakt aan alle domeinen – klimaat, energie, sociaal – en is zo groot dat je het niet sectoraal kunt aanpakken. We moeten samenwerken met elkaar, daar is geen plan B voor.’ ◼

‘Wat we leren, stellen we elders in Nederland beschikbaar’

Deel dit artikel