Kansengelijkheid

Meritocratisch schijnideaal of sleutel tot een goed leven?

Tekst Ivana Ivkovic Beeld ANP Foto

Kansengelijkheid lijkt wel een toverwoord: of het nou gaat om achterstanden in het onderwijs, de overspannen woningmarkt, verschillen in gezondheid of kansen op een baan. Van links tot rechts roepen politici dat ze voor kansengelijkheid strijden. Het klinkt als een mooi ideaal, de remedie tegen allerlei soorten scheefgroei en segregatie in ons land. Maar schijn bedriegt. Of toch niet?

‘Sommige mensen hebben gewoon pech in het leven’

Juist omdat het beleid rond kansengelijk­heid met zoveel verwachtingen wordt overladen, is het goed om het eens kritisch tegen het licht te houden: waar staat dit toverwoord precies voor? En zijn die hoge verwachtingen terecht? Lang geleden had kansengelijkheid een duidelijke politieke kleur: het was een van de stokpaardjes van de voormalig Britse Prime Minister Margaret Thatcher. Een beroemde quote uit een toespraak die ze ooit hield op het Institute of SocioEconomic Studies laat zien dat het een uitgesproken liberaal en meritocratisch ideaal is: ‘Let our children grow tall, and some taller than others if they have it in them to do so.’ Kansengelijkheid is in dit perspectief geen streven naar meer gelijkheid, maar moet ervoor zorgen dat de verschillen die ontstaan, welverdiend zijn. Geldt dat anno 2021 nog steeds?

Verharding Jawel, en daar zit juist een probleem, betoogde filosoof en jurist Jurriën Hamer eerder dit jaar in een artikel in Trouw. Dit ideaal gaat de samenleving niet eerlijker maken, aldus Hamer, want het overschat schromelijk de rol van verdienste: diegenen die slagen in het leven hebben hun kansen gepakt, het komt erop aan om ze die kansen te geven. Jammer genoeg is het leven niet zo eerlijk, betoogt Hamer, want sommige mensen hebben gewoon pech. Kansengelijkheid veronderstelt dat wij onze levens in eigen hand hebben, maar dat is vaak simpelweg niet zo. Zelfs als het niet gaat om verschillen bij geboorte, sommige mensen maken ongelukken mee, of begaan fouten. Er zijn altijd verschillen die niet fair zijn, en kansengelijkheid is daarom geen vervanging voor solidariteit en herverdeling. De zorg van Hamer is dat kansengelijkheid leidt tot verharding. Het geloof in meritocratie is maar een kleine stap verwijderd van geloven dat iemand zelf schuldig is als hij het slecht heeft. Daarom pleit Hamer voor een alternatief: een politiek van gelijke waardigheid: Hamer: ‘Dat ideaal schrijft voor dat iedereen meetelt en we niemand mogen afschrijven, wat een mens ook doet, wat je ook op je geweten hebt of krijgt.’ In plaats van te proberen alle kansen helemaal gelijk te krijgen, zouden we er dus beter aan doen om te zorgen dat geen enkele kans de laatste is. Ik vind dat hier veel voor te zeggen is. Maar tegelijkertijd vraag ik me af of het debat rond kansengelijkheid ook tot een andere uitkomst zou kunnen leiden. Kan kansengelijkheid niet een meer sociaal en inclusief gezicht hebben? Ik denk van wel, maar dan zouden we een meer fundamentele discussie moeten voeren over wat we met kansengelijkheid proberen te bereiken.

Ivana Ivkovic

is filosoof en schrijft over politiek en maatschappij. Dat combineert ze met het geven van cursussen en publieksoptredens. Voor meer informatie, ga naar haar website: nowishfulthinking.nl

Compenserende rechtvaardigheid Een interessant casus vond ik in de bundel Gelijke Kansen in de stad, gepubliceerd in 2019 onder auspiciën van Amsterdam Centre for Inequality Studies (AMCIS), een onderzoeksinstituut van de Universiteit van Amsterdam. Het onderzoek naar een digitale tool dat leerprocessen van leerlingen optimaliseert en mogelijk maakt om onderwijs op maat te bieden, toont aan dat alle leerlingen door het gebruik hiervan erop vooruitgaan. Maar de leerlingen die het toch al het beste deden blijken het meeste vooruit te gaan. Deze tool helpt dus wel degelijk tegen leerachterstanden, maar verkleint niet de verschillen tussen de leerlingen. Sterker nog, ze worden erdoor vergroot. Voor iemand die kansengelijkheid met argusogen bekijkt, is dat een risico. Maar de zaak ligt nog wat ingewikkelder, lijkt mij. Want om te kunnen zeggen of zo’n uitkomst wenselijk is of niet, moeten we ook bereid zijn om te zeggen welke verschillen tussen de leerlingen we kunnen rechtvaardigen, en welke niet. En dat is niet slechts een politieke discussie, maar ook een filosofische. Wij vinden het doorgaans terecht dat iemand die harder studeert ook hogere cijfers haalt, een hogere vervolgopleiding volgt, later meer verdient, etcetera. Hoe groot die verschillen mogen worden, daar zijn we het vaak niet over eens. Nu zijn er twee mogelijke manieren om tegen die verschillen aan te kijken. Je kunt stellen dat ze niet uit de hand mogen lopen, en pleiten voor maatregelen die aan de onderkant het meeste helpen. Kansengelijkheid zou dan een vorm van compenserende rechtvaardigheid zijn. Maar je kunt ook zeggen dat de maatregelen ieder individu moeten helpen om zijn eigen capaciteiten optimaal te ontwikkelen – mensen zijn nu eenmaal verschillend, hebben verschillende verlangens en verschillende dingen nodig. Kansengelijkheid staat dan in het teken van de ontwikkeling van eigen capaciteiten. De filosofische vader van de eerste benadering is de Amerikaanse filosoof John Rawls, die van het tweede is de Indiase econoom Amartya Sen. De optimale ontwikkeling van het individu leidt bij Sen juist niet tot een maatschappij die hard en harteloos is naar de losers, maar naar een die wel degelijk bijdraagt aan menselijke waardigheid. Je hoeft namelijk niet dezelfde “lat” te halen, het gaat eerder om de kwaliteit van leven. Zo is kansengelijkheid geen stoplap om bijvoorbeeld herverdelingskwesties te mogen vergeten, maar opent het een andere deur. Immers, als we iedereen een kans willen bieden om een goed leven te leiden, dan praten we over de zaken die sociaal-economisch herverdeling overstijgen: wanneer heb je een goed leven en wat heeft iedereen daarvoor nodig? En dat lijkt me niet zo ver verwijderd van een politiek van waardigheid.

Verwevenheid Een andere interessante route, die eveneens wordt geopend met kansengelijkheid, dient zich aan met het tegengaan van de zogenoemde accumulatie van achterstand. Juist onderzoek naar kansengelijkheid brengt aan het licht hoe verschillende aspecten van het leven met elkaar zijn verweven. Wie in een aspect van het leven een achterstand heeft, krijgt later te maken met veel meer achterstand op vele andere vlakken. En dat gaat veel verder dan latere verschillen in salaris. Iemand die gezondheidsproblemen heeft, krijgt later vaak ook een achterstand op de arbeidsmarkt. Sociale en economische achterstanden en verschillen in opleidingsniveau zorgen niet alleen voor een andere levensstandaard, maar ook voor verschillen in gemiddelde levensduur, het aantal gezonde levensjaren, sociale relaties of democratische participatie. Als die verwevenheid eenmaal zichtbaar wordt, is het een heel stuk moeilijker om kansengelijkheid te reduceren tot een simplistisch meritocratisch ideaal. Want zelfs wie hartgrondig wil verdedigen dat verschillen in welvaart of inkomen welverdiend zijn op basis van gelijke kansen, moet een pas op de plaats maken als het gaat om verschillen in gezondheid of burgerschap. Ik zou daarom niet geneigd zijn om kansengelijkheid opzij te schuiven als een verkeerd ideaal, maar juist om door te vragen als het onderwerp ter tafel komt. Gelijke kansen op een gezond leven... hoe willen we zoiets realiseren? Of gelijke kansen op democratische inspraak? Als we meer van zulke vragen gaan stellen, betreden we een nieuw politiek terrein. ◼

‘Voor een politiek van gelijke waardigheid is veel te zeggen’

Deel dit artikel