Kanttekeningen bij promiscue steunbeleid

Staatskapitalisme in coronatijd

Tekst Jelle van Baardewijk

Beeld ANP

Ondernemingen met zware omzetverliezen mogen in deze coronatijd een beroep doen op de economische steun van de staat. In bepaalde sectoren is dat logisch omdat zij ongenadig hard getroffen zijn door coronabeleid en salarissen moeten doorbetalen, zoals in de luchtvaart, horeca en het winkelbedrijf. Maar de overheid biedt alle ondernemingen met ernstig omzetverlies compensatie. De kosten van dergelijk promiscue steunbeleid zijn enorm en komen uiteindelijk voor de rekening van de burger. Dit plaatst ons voor een dilemma: hoeveel staatssteun voor het bedrijfsleven is gepast?

Bij ondernemen denken wij tegen­woordig vooral aan het benutten van kansen maar het gaat evengoed over het nemen van risico’s

‘Ondernemerschap brengt risico’s met zich mee’

Jarenlang werd in Nederland niet getwijfeld over zo’n dilemma. Men koos liever voor de werkzaamheid van de markt dan voor de steun van de overheid. Dat heeft veel opgeleverd, zoals een innovatieve telefoniemarkt. Typerend voor de vrijemarkteconomie is dat organisaties failliet kunnen gaan, ook als zij daar zelf niks aan kunnen doen. Bij ondernemen denken wij tegenwoordig vooral aan het benutten van kansen maar het gaat dus evengoed over het nemen van risico’s. Dat motiveert ondernemers om voortdurend te blijven veranderen in de hoop mee te kunnen in de vaart der volkeren. In goede tijden hoor je ondernemers nauwelijks over dat zij rijk worden dankzij de context waarin zij leven. Nu het slecht gaat, klagen zij over die context. Een sterke staat zou hier hard moeten optreden en de markt zijn werk laten doen en alleen de bedrijven te helpen die in de problemen zijn geraakt door coronabeleid.

Factormarkten

Hoe heeft het zover kunnen komen dat onze overheid in tijden van crisis zoveel bedrijven helpt? Daar zijn meerdere redenen voor te bedenken. De hoofdreden is dat men de impact van de coronacrisis op bedrijven heeft overschat en dat de hulpgelden een overreactie zijn geweest. Een andere reden is dat men na jarenlange kritiek op het marktdenken niet langer scherp heeft waarom we überhaupt een vrijemarkteconomie hebben. Daarom wil ik daar kort bij stilstaan, overigens zonder de vrijemarkteconomie te willen idealiseren. Ik ben overtuigd van het belang van een goede balans tussen overheidssteun en marktwerking. Enkele jaren geleden nam ik het op voor de staat, nu zie ik mij gedwongen juist de markt nog eens positief te beschrijven. Markten zijn van alle tijden. Zelfs in communistische landen bestonden er markten, bijvoorbeeld voor groente en fruit. Maar echt vrije markten zijn uniek in de wereldgeschiedenis en regelen niet alleen consumentenverkeer maar ook de productiefactoren grond, water, kapitaal, arbeid en tegenwoordig: data. Dergelijke markten – ook wel factormarkten – hadden ze niet in communistische landen, niet in het aristocratische Athene en ook niet in het hedendaagse China. Bas van Bavel schetst in zijn boek De onzichtbare hand (2018) een aantal plaatsen waar echte marktwerking bestond, waaronder de Zeven Verenigde Provinciën. Hij rekent ook het huidige Westen grotendeels tot een vrijemarkteconomie, al is die stelling niet meer echt verdedigbaar in coronatijd.

Economisch argument Waarom werkt een vrijemarkteconomie? Ik onderscheid een aantal principiële hoofdargumenten die ik eerder uitwerkte in mijn boekje Morele Grip. Een theorie en agenda voor de bedrijfsethiek: de markt brengt vrijheid, welzijn, past bij de menselijke natuur en werkt relatief efficiënt. Het eerste en meest principiële argument luidt dat de vrijemarkt­economie meer kansen biedt aan individuen, die in vergelijking met andere economische systemen veel meer keuze hebben in waar zij werken en hoe zij in hun behoeftes voorzien. Dit is het argument van de vrijheid en vinden we bijvoorbeeld in het werk van Friedrich Hayek. Dit argument gaat op voor de mensen die ook kunnen meedraaien in de vrijemarkteconomie omdat ze de juiste opleiding, talenten en gezondheid bezitten. De vrije markt is daarmee niet bevrijdend voor iedereen, bijvoorbeeld niet voor kinderen, en dat maakt ook dat de staat een vrije markt moet bijsturen door onder andere onderwijs aan te bieden. Het tweede argument voor de vrijemarkteconomie komt erop neer dat de totale welvaart door een vrijemarkt­economie het grootst is. Dit is een economisch argument dat bij nader inzien toch ook ethisch te vertalen is als het argument van maximaal welzijn. De waarheid is inderdaad dat economieën die conform de vrije markt georga­niseerd zijn niet alleen economisch voorspoedig zijn maar ook in termen van welzijn. Dat laat onverlet dat daarmee weer nieuwe problemen ontstaan zijn, zoals welvaartziektes en de klimaatcrisis die weer niet zo gemakkelijk volgens marktprincipes kunnen worden getackeld.

‘Kun je markt­partijen redden met een beroep op solidariteit?’
‘Bij een vrije markt horen nu eenmaal ook faillisse­menten’

Schoon schip Het derde argument luidt dat de vrijemarkt­economie beter zou aansluiten bij de natuur van de mens. Volgens dit argument is de mens van nature ingesteld op het nastreven van eigenbelang. Een bekende vertegen­woordiger van dit argument is de in Rotterdam geboren filosoof-arts Bernard Mandeville. Juist de vrije markt en de daarbij horende concurrentie biedt ruimte om dat streven te cultiveren. Dit argument is vrij zwak en gaat voorbij aan de morele gelaagdheid van de mens: de mens is niet alleen bezig met eigenbelang maar bijvoorbeeld ook met solidariteit. Toch wordt dit argument een selffulfilling prophecy: de vrije markt stimuleert het nastreven van eigen- belang en roept dat dus ook in mensen op. Dit is proble­matisch en kan eigenlijk alleen goed worden gecorrigeerd met onderwijs en instituties die mensen behoeden voor te veel egoïsme. Je kunt dit argument ook positief interpreteren, wat te weinig gebeurt. De mens is in staat om nieuwe economische bezigheden te bedenken want zijn eigenbelang motiveert hem daartoe. Te snelle staatssteun schakelt deze drijfveer uit.

Het vierde argument luidt dat de markt de meest efficiënte of rationele manier van organiseren zou zijn. Deze argumentatie staat ook wel bekend als de Efficient Market Hypothesis. De gedachte is dat de markt gericht is op winst en aandeelhouderswaarde en daarom heel goed is in het zo goedkoop mogelijk realiseren van doelen. Daarbij hoort ook het idee dat de marktprijzen altijd goed zijn: een aandeel of bijvoorbeeld huis kan niet over­gewaardeerd of ondergewaardeerd zijn; de huidige prijs is de juiste prijs. Dit argument is onderuitgehaald met empirisch onderzoek, maar blijft rondzingen. Een mogelijke reden daarvoor is dat overheidsinstituties niet erg rationeel en lineair werken maar zelfs conservatief. Dat betekent dat vergeleken met andere instituties de vrije markt tamelijk rationeel stuurbaar blijft. Vertaald naar andere instituties: meer gericht op kostenbesparing en succes, minder op behoud van oude normen en waarden. Zo bezien zou corona ook schoon schip hebben kunnen maken in het bedrijfsleven door mensen te dwingen tot meer efficiency.

Angstig Met deze vier argumenten heeft de vrijemarkteconomie goede kaarten: zij schept vrijheid en welvaart, maakt efficiënt en zet aan tot denken in termen van eigenbelang. Het lijkt mij nodig om deze argumenten in hun voor- en nadelen te beschouwen en dan opnieuw naar het huidige coronabeleid te kijken. Zijn wij niet te angstig geworden voor een vrije markt waarin naast productie en handel ook faillissementen horen? Ik denk van wel. De financiële crisis (2008) en de eurocrisis (2012) hebben ons angstig gemaakt. We missen sindsdien de moed om ons verlies te nemen en schuiven de rekening liever naar de toekomst. Dat laatste is een belangrijk slotargument: je kunt de marktpartijen wel redden met een beroep op gevoelens van solidariteit, maar om wiens solidariteit gaat het eigenlijk? Trekt de corona­solidariteit met ondernemers niet te zeer een wissel op toekomstige generaties? ◼

Jelle van Baardewijk

is lector bedrijfsethiek aan de Hogeschool Rotterdam en universitair docent maatschappelijke bestuurskunde aan de Vrije Universiteit. Zijn onderzoek gaat over ethiek, overheid en markt.

Deel dit artikel