Sociaal domein onder constructie

Terugblik op 5 jaar decentralisaties

Tekst Jelle van der Meulen Beeld ANP

De verwachtingen van de decentralisaties in het sociaal domein van 2015 waren te hooggespannen en de meeste beleids­doelen zijn vooralsnog niet gehaald, concludeert het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP). Zelfredzaamheid is een mooi uitgangspunt, maar het lijkt vooral ook een frame om te bezuinigen.

Het concept van zelfredzaamheid blijft lastig

‘Sommige verwachtingen waren onrealistisch’

Dat mensen hun problemen eerst zelf oplossen, alvorens zij aankloppen bij de overheid – een pijler onder het nieuwe sociaal domein – is helemaal geen gekke gedachte, vindt Patricia van Echtelt, wetenschappelijk medewerker bij het SCP en co-auteur van het rapport Sociaal domein op koers? Verwachtingen en resultaten van vijf jaar decentraal beleid. ‘Dat houdt hulp beheersbaar en kosten betaalbaar. Maar de meer kwetsbare groepen zijn simpelweg niet altijd in staat voor zichzelf te zorgen.’ Met de decentralisaties van 2015 moest een zorgzame samenleving ontstaan, met meer participatie van inwoners en minder bemoeienis van de overheid. Op het gebied van jeugdzorg, werk en inkomen en zorg aan langdurig zieken en ouderen namen gemeenten het leeuwendeel aan taken over van het rijk. ‘Het idee achter de decentralisaties is goed,’ meent Cathalijne Dortmans, wethouder in Helmond met gezondheid en jeugd in haar portefeuille. ‘Gemeenten kunnen snel verbanden leggen tussen de vaak meervoudige problematiek en inwoners hebben in eerste instantie ook meestal met de gemeente van doen. In die zin is het logisch dat wij de verantwoordelijkheid hebben gekregen voor het brede sociaal domein.’ Uit Sociaal domein op koers? blijkt echter dat de hooggespannen verwachtingen van de decentralisaties niet zijn ingelost. ‘Gemeenten hebben de taken zeer serieus opgepakt, maar sommige verwachtingen waren onrealistisch,’ legt Van Echtelt uit. ‘Meer participatie en meer zorgzaamheid zien we niet. De doelstelling van een minder complex systeem is ook nog niet behaald. Daarnaast zien we nog geen verschuiving van zwaardere naar lichtere voorzieningen. Hierdoor hebben gemeenten minder mogelijkheden om het goedkoper te doen dan verwacht.’ Er zou bij iedereen meer bewustzijn moeten leven dat complexe zorg nu eenmaal veel geld kost, vult Dortmans aan. ‘De samenhang in 2015 tussen meer verantwoordelijkheid voor gemeenten enerzijds en een enorme bezuinigings­opgave anderzijds was niet realistisch. Als je op termijn kosten wil besparen, moet je aan de voorkant juist investeren. Dat besef is er in 2015 onvoldoende geweest, net als het besef van ouders dat zorg en hulp van overheden veel geld kost. Je ziet wel wat een operatie in het ziekenhuis je kost – of in ieder geval het bedrag dat je zorgverzekering ervoor betaalt – maar dat geldt niet voor bijvoorbeeld speltherapie voor je kind. Dat inzichtelijk maken kan bijdragen aan een kritische blik van ouders zelf: wordt het goede ingezet?’

‘De wil om goede dingen te doen, is er bij iedereen’
‘Met het idee achter de decentralisaties is niks mis’

Praat met mensen zelf Dortmans is sinds 3 jaar wethouder in Helmond. ‘Het is van oudsher een industriestad, waar mensen elkaar in het verleden nodig hebben gehad. Daarom zit het in de cultuur om naar elkaar om te kijken. Dat gaat hier als vanzelf.’ Toch kent Helmond uiteraard ook de nodige problematiek. Sinds haar aantreden maakt Dortmans zich sterk om de aanwezige gezondheidsverschillen tussen mensen met verschillende welvaartsniveaus aan te pakken. ‘Waar begin je dan,’ zegt ze. ‘Bij de mensen zelf, de “ervaringsdeskundigen”. Dan leer je dat bestaanszekerheid en stressreductie enorm belangrijke eerste stappen zijn, maar daar is het beleid niet altijd op gericht. Mensen zeiden tegen ons: jullie verwachten dat wij kunnen nadenken over de lange termijn, terwijl ik al blij ben dat ik het einde van de week haal. Daar schrik je van, maar dat is wel het perspectief dat we moeten horen om nog meer voor mensen te kunnen betekenen.’

Jezelf helpen Op wetgevend niveau is daarvoor goede afstemming tussen verschillende wetten nodig, maar de praktijk blijkt tot dusver weerbarstig, constateert Van Echtelt. ‘De materie is bijzonder complex, wat het lastig maakt alles samen te voegen tot een enkele wet, wat je weleens als suggestie hoort. Maar het moet wel meer met elkaar in harmonie komen. Neem de Participatiewet, die bedoeld is om mensen aan het werk te helpen. Die wet werkt met sanctionering als mensen niet aan de voorwaarden van werk zoeken voldoen, maar neemt niet mee dat deze mensen vaak ook Wmo-problematiek hebben. Als je niet in staat bent zelf je huishouden te voeren, is het dan reëel om te verwachten dat je werk vindt?’ Het concept van zelfredzaamheid blijft een lastige discussie, vindt Van Echtelt. ‘We moeten, denk ik, onze verwachtingen bijstellen. En belangrijker nog, niet uitgaan van die verwachtingen, maar beleid vooraf toetsen op de praktijk. Dan kun je te weten komen hoe je daadwerkelijk tot die zorgzame samenleving komt.’ ‘De verwachtingen over zelfredzaamheid waren ook een mooi frame om te bezuinigen,’ voegt Dortmans toe. ‘Maar dat neemt niet weg dat het idee om mensen zelfredzaam te maken goed is. Sommige mensen hebben een steuntje in de rug nodig, maar dat mag geen permanente hangmat zijn. We hebben te lang het idee gewekt dat wij het als overheid wel overnemen als je het niet redt. Daadwerkelijke zelfredzaamheid is mensen helpen zichzelf te helpen. Maar verandering kost tijd: vijf jaar is nog te vroeg om definitieve conclusies te trekken.’

Het moge duidelijk zijn dat de hervormingen in het sociaal domein nog altijd werk in uitvoering zijn. ‘De decentralisaties zijn nog volop in beweging en kennen ook geen eindstadium,’ zegt Van Echtelt. ‘Het is een continu proces. Het rapport is daarom geen eindoordeel, maar eerder een momentopname, een voorlopig overzicht van hoe het gaat.’ Met pleidooien voor opnieuw een stelselhervorming heeft Van Echtelt weinig op: ‘Minder complexiteit zit hem met name in de uitvoering. Door verkokering bij ministeries tegen te gaan en te zorgen dat dienstverlening toegankelijk is, kunnen we weer goede stappen zetten.’ De wil om goede dingen te doen, is er bij iedereen, zegt Dortmans, van sociale teams tot de ggz tot zorgaanbieders. Die verschillende partijen moeten nader tot elkaar komen, denkt ze: ‘We zijn hier in nauw overleg met jeugdzorgaanbieders, met wie gemeenten niet altijd een gemakkelijke relatie hebben. Los van de discussies over geld, hebben we het hier met elkaar over de inhoud. Laten we ons verplaatsen in andermans schoenen, want uiteindelijk willen we heus hetzelfde: zo snel mogelijk het goede doen voor kinderen en gezinnen.’ ‘Dat neemt niet weg dat we goed en kritisch moeten kijken naar onze aanbieders,’ vervolgt Dortmans. ‘Geld moet besteed worden aan zorg en hulp, niet aan hoge salarissen. Ziel en zakelijkheid, dat is wat het sociaal domein nodig heeft.’ De wethouder benadrukt daarbij dat we weleens vergeten dat er heel veel goed gaat in Nederland. ‘We moeten absoluut hard blijven werken om de schrijnende gevallen te voorkomen. Maar tegelijkertijd hebben we de neiging het negatieve uit te lichten. Het voorzieningen­niveau is in Nederland gewoonweg ontzettend hoog. Uitgaande van de bekende 80/20-regel: 20 procent behoeft inderdaad verbetering en vraagt 80 procent van onze inspanning, maar dat betekent ook dat zo’n 80 procent goed gaat. Daar mogen we ook af en toe best trots op zijn.’

Deel dit artikel