Op weg naar Rutte IV?

Nu Pieter Omtzigt definitief ziek thuis zit, lijkt CDA-leider Wopke Hoekstra inderdaad door te pakken, maar tot een nieuw kabinet leidt dat vooralsnog niet Beeld Shutterstock

Vooropgesteld: het vraagteken in de kop is eigenlijk overbodig, want een andere reële kanshebber om premier te worden, is nog niet in zicht en Rutte weet van geen wijken. In een interview in Nieuwsuur gaf hij als een van de argumenten daarvoor dat hij twee miljoen voorkeurstemmen had gekregen. Dat is nonsens en pronken met veren die je niet hebt, want een lijsttrekker krijgt geen voorkeur­stemmen. Voor zijn herkansing moet hij hard werken en voldoende nederigheid tonen. Echt overtuigend lukt dat nog niet. Het interview in Nieuwsuur was vooral een sollicitatiegesprek waarin de kandidaat voor de functie van minister-president versie 2.0 ‘radicale ideeën’ aankondigde om de Haagse bestuurs­cultuur te veranderen. Radicaal, ach… Meer debatten in de Tweede Kamer over grote onderwerpen en minder overleg met de polderpartners buiten de Kamer om, ruimere openbaarmaking van ambtelijke adviezen en het instellen van een club die moet kijken waar het misgaat in de contacten tussen burger en overheid. Ruttes zelfvertrouwen is aanstekelijk en lijkt te zijn overgeslagen op CDA-voorman Wopke Hoekstra die – niet langer gehinderd door zijn collega Pieter Omtzigt, want die zit voorlopig nog even ziek thuis – heeft aangegeven niet in een kabinet te willen met een links blok van GroenLinks en de Partij van de Arbeid. Ondertussen schiet het met een nieuw kabinet maar niet op. Net als met een antwoord op de vraag: is Rutte nu de bewindspersoon die, na 10 jaar premierschap oude stijl, invulling aan de gewenste bestuurlijke vernieuwing kan geven?

Verkeersveiligheid versus privacy

Dat de overheid netjes omgaat met data die door personenauto’s worden verzameld, is niet vanzelfsprekend Beeld Shutterstock

In de schaduw van de corona-aanpak en de kabinetsformatie komen de demissionair ministers soms met proefballonnetjes. Minister Van Nieuwenhuizen van Infrastructuur en Waterstaat had er een: ze wil de data die auto’s verzamelen met hun sensoren, gaan gebruiken om de verkeersveiligheid te verbeteren. Het idee is dat op die manier sneller kan worden gereageerd op dingen als plotselinge gladheid of een beschadiging van het wegdek. ‘Natuurlijk gaan we netjes om met de privacy,’ liet de minister weten in het tv-programma WNL Op Zondag waar ze haar idee lanceerde. Maar zo vanzelfsprekend is dat niet. Het is immers geen geheim dat de overheid lang niet altijd netjes omgaat met privacy en regel­matig op de vingers wordt getikt door de Autoriteit Persoonsgegevens. Om ons tot het verkeer te beperken: herinneren we ons nog dat de politie jarenlang onterecht toegang heeft gekregen tot camerabeelden van kentekens die de gemeente Amsterdam gebruikte om de toegang tot de milieuzone te handhaven? Handig natuur­lijk om te zien of er misschien criminelen passeerden, maar daar waren geen afspraken over gemaakt. De gang van zaken past bij de wetmatigheid dat gegevens die er zijn vroeg of laat worden gebruikt, in het slechtste geval zonder, in het beste geval mét toestemming. Zie voor dat laatste het voorbeeld van de Belastingdienst, die van de rechter toestemming kreeg om de gegevens van parkeerapps als Yellowbrick en Parkmobile te gebruiken bij het opsporen van fraude met leaseauto’s.

Politieke doodzonde

Minister Grapperhaus lichtte de Kamer meer dan eens verkeerd voor Beeld Yordan Simeonov

Het wordt steeds braaf herhaald: het onjuist of onvolledig inlichten van de Kamer is een politieke doodzonde. In de praktijk is dat al lang een fictie, bewindspersonen komen er vaak zonder problemen mee weg. Twee recente voorbeelden: eind april informeerde minister Grapperhaus de Kamer onjuist over de dood van een politie-informant (er zou onderzoek van de Rijksrecherche naar zijn gedaan en dat was niet zo) en anderhalve maand eerder deed dezelfde minister dat over een onderzoek naar een fraudezaak op het kantoor van landsadvocaat Pels Rijcken (hij wist daar niet van, maar bleek er toch over te zijn ingelicht). Grapperhaus heeft zo langzamerhand een naam te verliezen als het om akkefietjes gaat, maar dit zijn niet echt dingen waarvoor je een minister naar huis stuurt. Zelfs bij zware kwesties komen bewinds­lieden er soms mee weg. Beroemdste voorbeeld is waarschijnlijk wel minister Van Aardenne van Economische Zaken, die de Kamer onjuist en onvolledig had ingelicht over de gang van zaken bij scheepsbouwconcern RSV en de forse bedragen die de overheid daaraan kwijt was geraakt. Desondanks mocht hij in 1984 blijven, al was het als aangeschoten wild. Daarmee bleef de coalitie van CDA en VVD intact, want een vicepremier wegsturen had een kabinetscrisis betekend. Ook toen al was er weinig dualisme, dus de Kamer ging daarin mee. De laatste die opstapte was staats­secretaris Harbers, verantwoordelijk voor het asielbeleid. In mei 2019 vertrok hij nadat in een rapportage over incidenten met asielzoekers zware misdaden waren gecategoriseerd onder de kop “overige”, wat een poging leek om die misdaden te verhullen. Dat was volgens Harbers niet zo, maar desondanks koos hij ervoor af te treden. Dat deed hij razendsnel, al voor het begin van het Kamerdebat erover. Het zal daardoor altijd de vraag blijven of de Kamer hem tot opstappen zou hebben gedwongen, oftewel zouden de coalitie­partijen de onvermijdelijke motie van wantrouwen van de oppositie hebben gesteund? Vervolgvraag: zou de nieuwe bestuurs­cultuur die de Kamer wil ertoe leiden dat voortaan bewindspersonen eerder of sneller moeten aftreden? Het is een balanceeract: enerzijds wil je geen “sorry-democratie”, anderzijds is het frequent wegsturen van ministers en staats­secretarissen niet erg productief.

Onderwijsinvestering

Met het Nationaal Programma Onderwijs kan minister Van Engelshoven op de valreep goede sier maken Beeld Rijksoverheid

Dat is nog eens wat: een (eenmalige) investering van 8,5 miljard euro in een Nationaal Programma Onderwijs om de komende tweeënhalf jaar de door de coronacrisis veroorzaakte achterstanden in het onderwijs in te lopen. 5,8 Miljard gaat naar het primair en voortgezet onderwijs en 2,7 miljard naar het mbo en het hoger onderwijs. Universiteiten en hogescholen krijgen daarnaast structureel 645 miljoen euro om de extra toestroom van studenten op te vangen. Daarmee is een hele waslijst aan maatregelen te financieren, in jargon een ‘catalogus van effectieve interventies’: in het basisonderwijs langere schooldagen, kortere zomervakanties, lessen in het weekend, extra personeel. In het voortgezet onderwijs brede brugklassen met bijvoorbeeld vmbo- en havo-leerlingen. In mbo en hbo halvering van het collegegeld, betere begeleiding en meer subsidie voor stageplaatsen. De uitvoering wordt spannend, want waar haal je de benodigde mensen vandaan, terwijl er nu al een tekort van tweeduizend docenten is? En hoe voorkom je te veel weglekeffecten, zoals extra personeel in het management in plaats van mensen in de klas? Desondanks is het een investering die toe te juichen is. D66-minister Van Engelshoven kan ermee op de valreep – afgedwongen door de omstandigheden – invulling geven aan de pretenties die haar partij op onderwijsgebied heeft. Iedereen blij? Niet helemaal: in maart bleek uit een onderzoek in opdracht van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap dat het hoger onderwijs een investering van nog eens anderhalf miljard euro nodig heeft, 1,1 miljard euro voor universiteiten (waarvan 800 miljoen structureel) en 400 miljoen voor hogescholen. De opvolger(s) van Slob en Van Engelshoven weten al wat ze te doen staat.

Gratieverlening

Beeld Wannapik Studio

Ontstaat er politieke discussie nu minister Dekker voor Rechtsbescherming in korte tijd twee keer gratie heeft moeten verlenen aan levenslang gestraften? Moeten verlenen, want als het aan hem had gelegen was het niet gebeurd. Na zes eerdere geweigerde gratieverzoeken lieten adviezen van de rechter en het OM hem geen andere mogelijkheid. De minister liet duidelijk zijn weerzin blijken door te schrijven dat ‘gratie de veroordeling niet wegneemt en de dader nog steeds schuldig is bevonden aan de feiten die hij heeft gepleegd. Een overbodige mededeling, want dat wordt door niemand betwist. Relevanter is de vraag die Dekker opwerpt of de minister eigenlijk wel de juiste persoon is voor een dergelijke beslissing. Anders gezegd: moet het een politiek of een juridisch besluit zijn? Het verschijnsel gratieverlening komt te weinig voor om politiek brisant te worden, maar het is een politieke discussie waard, liefst voor er weer een gratieverzoek wordt ingediend. En dat gebeurt ongetwijfeld een keer, want sinds het begin van deze eeuw zijn er 43 mensen (soms bij verstek) tot levenslang veroordeeld. Dat is vier keer zoveel als in de twee decennia daarvoor.

Deel dit artikel