WETENSCHAP | KRACHT VAN DE UITVOERING

Tekst Jelle van der Meulen Beeld Olaf Kraak/ANP Foto

Deskundige overheid

Diepgaande kennis als basis voor goed beleid

Deskundige overheid

Diepgaande kennis als basis voor goed beleid

Met name kwetsbare groepen zijn telkens de dupe van een gebrek aan kennis over de uitvoering

Deskundige overheid

Diepgaande kennis als basis voor goed beleid

Ontoereikende kennis over de uitvoering zorgt al jaren voor grote problemen, in het bijzonder in het sociaal domein. Professionalisering, meer lange­termijn­beleid en intensievere samenwerking kunnen de kennisbasis in het sociaal domein versterken, stellen onderzoekers.

Met name kwetsbare groepen zijn telkens de dupe van een gebrek aan kennis over de uitvoering.

‘Het contact met de uitvoering zakt langzaamaan weg’

Dat er bij beleidsambtenaren onvoldoende kennis is over de uitvoering, daar is inmiddels brede consensus over, zegt Meike Bokhorst, senior onderzoeker bij de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. Voor die kennislacune is een aantal verklaringen: beleid maken gold lange tijd als meer prestigieus, ambtenaren wisselen snel van functie en het contact met de uitvoering zakt langzaamaan weg. ‘En dan sijpelt uitvoeringskennis minder door naar beleid.’ Maar dat probleem oplossen is vers twee. Natuurlijk, zegt Bokhorst, zijn er allerlei toetsen en tools om de uitvoerbaarheid van beleid te verbeteren. ‘Maar dat is achteraf repareren. Je wilt voorafgaand aan de ontwikkeling van beleid dat uitvoerders meepraten, inzichten delen en beleidsmakers permanent voeden, zodat zij diepgaande kennis van de uitvoering ontwikkelen. Het nieuwe kabinet heeft erkend dat we meer moeten luisteren naar en investeren in de uitvoering, maar gemeenten maken zich nog steeds grote zorgen.’ In het bijzonder zorgen over hun taken in het sociaal domein. Samen met hoogleraar algemene sociologie aan de Erasmus Universiteit en voormalig WRR-lid Godfried Engbersen schreef Bokhorst het paper Kennisversterking in het sociaal domein (https://ap.lc/KEavm). Daarin presenteren zij meerdere oplossingsrichtingen: zorgen voor meer continuïteit van beleid en een stevige ondersteunende kennisbasis, het uitbouwen van leernetwerken voor gemeenten en het versterken van professionalisering binnen het sociaal domein.

Inburgering Meer continuïteit van beleid ligt in de eerste plaats bij de politiek, zegt Bokhorst. ‘Neem de inburgering. Dan weer wordt ervoor gekozen dat te privatiseren, om later weer op te roepen om te decentraliseren. Bij zo’n verandering stellen uitvoerings­organisaties en gemeenten hun systemen daarop in, maken ze er beleid op en werven ze mensen. Als je snel weer iets anders doet, is er veel kapitaal- en kennis­vernietiging en heb je nog niks geleerd; als iets wordt uitgevoerd, moet je het ook evalueren. Een van de geïnterviewden in het working paper zei bijvoorbeeld dat privatisering van inburgering best had kunnen werken, als je het maar goed onderzoekt, evalueert en waar nodig corrigeert. Dat is niet gebeurd.’ In algemenere zin geldt het advies van Bokhorst en Engbersen: formuleer grote, strategische opgaven en werk daaraan met multidisciplinaire teams. ‘Denk aan de nationale programma’s die er al zijn voor Rotterdam-Zuid en Den Haag Zuidwest. Dat zijn agenda’s van tientallen jaren en dat is precies wat nodig is. Zulke wijken help je niet met een paar projectjes.’

Krachten bundelen Een tweede richting is het versterken van kenniscentra. Bokhorst: ‘Bundel je krachten en doe een paar grote onderzoeken in plaats van al dat korte, versnipperde werk. Als je het goed doet, levert dat fundamentele, nieuwe kennis op.’ Om die kennis ook nog eens te laten werken, dienen uitvoerings­organisaties en gemeenten te profes­sional­iseren. ‘De labels waaronder mensen in het sociaal domein werken, wisselen heel snel. Een sociaal werker wordt job coach en dan weer iets anders. Werk nou aan vaste functies en een duidelijk curriculum, dan zijn de taken en kwaliteitseisen duidelijker en kun je dus beter werk leveren.’ Een extra bemoeilijkende factor is het hoge percentage externe inhuur. De Roemernorm schrijft voor dat bij de rijksoverheid maximaal 10 procent van de personeelsuitgaven naar externe inhuur mag gaan, maar dit wordt al jaren overschreden. ‘Inhuur gebeurt bij piek, ziek en uniek,’ legt Bokhorst uit. ‘Dat laatste wordt vaak wel erg snel ingezet; zodra ambtenaren ergens geen verstand van hebben, bijvoorbeeld, of wanneer een dossier vastzit of gevoelig ligt.’ Dat wordt problematisch zodra gemeenten voor ‘cruciale taken’ afhankelijk worden van andere partijen, zegt Bokhorst. ‘Bijvoorbeeld wanneer je als kleine gemeente de hele energietransitie uitbesteedt aan een extern bureau. Dat dossier gaat nog 30 jaar spelen, dan is het beter om een paar vaste krachten te hebben en bijvoorbeeld regionaal samen te werken en kennis te poolen.’

‘Meer kennis betekent dat signalen eerder worden opgepakt’

Signalen eerder oppakken Er gebeurt al een hoop goeds, benadrukt Bokhorst. Netwerken als KIS (Kennisplatform Inclusief Samenleven) en Divosa werken aan programma’s en leernetwerken op de langere termijn, doen grotere onderzoeken en brengen die kennis naar het veld. ‘Daarnaast heeft de overheid veel geleerd van de toeslagenaffaire en is er meer aandacht voor rapporten van de ombudsman. Maar het is heel pijnlijk dat kwetsbare groepen telkens de dupe zijn, voordat de overheid lering trekt. Zover zou het niet moeten komen. Meer kennis leidt er hopelijk ook toe dat je eerder signalen oppakt en er minder sprake is van escalatie.’

Deel dit artikel