Samenwerking kost tijd

En 2030 is dichterbij dan we denken

Tekst Pieter Verbeek

Beeld Shutterstock

Over twaalf jaar moet Nederland 49 procent minder CO2 uitstoten. Om dat te bereiken moet er nog heel wat gebeuren. Vanuit het Klimaatakkoord hebben de regio’s de opdracht gekregen om een Regionale Energiestrategie (RES) te ontwikkelen. Erg snel gaat dat nog niet. Strategievorming kost tijd. Maar de energietransitie staat er wel op de kaart. ‘Het gesprek is op gang.’

‘De grootste uitdagingen liggen toch op het bordje van de gemeenten’

Medio 2019 moeten er ongeveer 30 Regionale Energiestrategieën liggen, inclusief een bod van wat elke regio denkt te gaan opleveren aan duurzame energie en warmte. Vorig jaar gingen zeven pilotregio’s er als eerste mee aan de slag in het Programma Regionale Energiestrategieën, een initiatief van IPO, UvW en VNG in samenwerking met het rijk (BZK en EZK) .


Samenwerken

Wat viel op? Het kost veel tijd en energie om al die partijen bij elkaar te krijgen. Echte bestuurlijke besluitvorming over een Regionale Energiestrategie is in de pilotregio’s dan ook nog niet bereikt. Toch noemt Marjon Bosman van de VNG, vorig jaar een van de projectleiders, de pilot een succes. ‘We hebben in deze zeven regio’s van alles losgemaakt. Het is echt gelukt om samenwerking op het gebied van energietransitie mogelijk te maken tussen de overheden en maatschappelijke partners, zoals natuur- en milieuorganisaties, netbeheerders en woningcorporaties. Er is een gesprek op gang gekomen over de energietransitie die er daarvoor nog niet was. Dankzij het Klimaatakkoord is er in de regio’s nu ook meer ruimte mogelijk om op bestuurlijk niveau stappen te zetten. Er wordt ook meer geluisterd naar omwonenden. Nu moeten de partijen verder met elkaar afspraken gaan maken. Het gaat om bewustwording, om een gedeeld urgentiegevoel.’

Inmiddels moet ook de rest van de ongeveer 30 regio’s aan de slag gaan. Bosman schat in dat in 80 procent van de regio’s al op bestuurlijk niveau samenwerkt aan energietransitie. Dankzij het Klimaatakkoord. De energiestrategieën laten echter nog op zich wachten.

Ongeveer de helft is er nu mee gestart. Zo zijn bijvoorbeeld Zuid-Hollandse regio’s als Metropoolregio Rotterdam-Den Haag, Drechtsteden en Midden-Holland al relatief ver. Holland Rijnland kon aanhaken op een eerdere pilot voor een Omgevingsvisie uit 2014.


Twentse Energiestrategie

Ook de regio Twente is een van de voorlopers. Twaalf van de veertien gemeenten in deze regio sloten eerder dit jaar al, voordat de opdracht van het rijk binnenkwam, met elkaar de Twentse Energiestrategie af. Doel daarvan: al in 2023 20 procent duurzame energie opwekken en 6 procent energiebesparing in de regio bereiken. ‘We hebben hierin al een aantal concrete pilots afgesproken, zoals de aanpak van energiebesparing op bedrijventerreinen, de opwek van duurzame energie langs snelwegen als de A35 en de A1 en samenwerking met gemeenten over de Duitse grens,’ vertelt wethouder duurzaamheid Evelien Zinkweg-Ankone van de gemeente Oldenzaal. Dit najaar gaan alle veertien gemeenten opnieuw met elkaar om tafel voor de Regionale Energiestrategie. ‘Eind van het jaar moet er een plan van aanpak, een startnotitie, liggen, die we dan in het voorjaar uitwerken, zodat er eind juni een conceptplan ligt en in december een definitieve strategie.’

Onderdelen uit de Twentse Energiestrategie worden uiteraard gebruikt voor de nieuwe RES, vertelt Jan-Herman Scholten, wethouder in Haaksbergen. ‘Maar de Twentse Energiestrategie voldoet niet aan de uitgangspunten van het Klimaatakkoord, dus het huiswerk voor de Twentse gemeenten begint voor een deel opnieuw. De opgave is er wel in beschreven, maar niet op welke plekken bijvoorbeeld windmolens komen.’ In de regio Twente moet allereerst bespaard worden op energie, legt Scholten uit. ‘Dit is een behoorlijke opgave voor de gebouwde omgeving. De energie die uiteindelijk nodig is, dient duurzaam opgewekt te worden.’


Strategie voor iedereen

Ook in de Gelderse regio Rivierenland zijn de betrokken overheden en andere partners voortvarend te werk gegaan. Al sinds februari wordt er gewerkt aan de ontwikkeling van een Regionale Energiestrategie. Bijzonder daaraan is dat de strategie echt voor iedereen is, stelt procesmanager Annemieke Spit, van de Regio Rivierenland. ‘Het is heel belangrijk dat we deze opgave gezamenlijk oppakken vanuit de 5 O’s (overheid, ondernemers, onderwijs, onderzoek en ondernemende burger) én dat burgers worden betrokken. Dat is niet altijd vanzelfsprekend. Juist zij krijgen het hardst te maken met de energietransitie.’ Verder werken ook ondernemers en de glastuinbouw in deze regio mee aan de strategie. De komende tijd gaan de partijen werken aan het regionaal bod en een samenwerkingsagenda om te kijken welke projecten ze met elkaar regionaal gaan organiseren. Een onderdeel daarvan is een onderzoek naar warmte.

Er is veel commitment in de regio, stelt Spit. ‘Ik werk al een tijd op het gebied van energiebeleid en zie dat er nu echt verandering is. Er is veel meer bereidheid dan voorheen om het samen te doen. Maar samenwerking kost tijd en 2030 is dichterbij dan we denken. Je moet bijvoorbeeld rekening houden met de huidige infrastructuur. Van centrale levering van energie gaan we naar decentrale. Daar is niet overal de infrastructuur op voorzien. Daarom zit ook de netbeheerder aan tafel.’

Capaciteit vrijmaken

In de regio liggen de grootste uitdagingen toch op het bordje van de gemeenten. Zij moeten werken aan de gebouwde omgeving, aan het aardgasvrij maken van de wijken en de burgers meekrijgen. ‘Dat kan alleen met de juiste bevoegdheden en middelen, anders wordt het lastig om de doelen te halen,’ stelt Bosman. ‘Er is nog niet overal evenveel urgentie voor deze opgave. Je merkt dat bij veel gemeenten, vooral de kleinere, de capaciteit vooral ligt in het sociaal domein. De decentralisatie heeft een flinke impact gehad en veel budget gaat nu vooral naar het dichten van de gaten in dat domein.’

Wethouder Zinkweg-Ankone herkent zich in dat beeld. ‘Daarom hebben wij als Oldenzaal de samenwerking gezocht met buurgemeenten Dinkelland, Tubbergen en Losser. Gezamenlijk hebben de gemeenten een energietransitieregisseur aangesteld die de energietransitie gaat aanjagen en hebben ze elk één ambtenaar fulltime vrijgemaakt. ‘Door die samenwerking kun je opgaven opsplitsen en kennis uitwisselen. Ik denk dat we daarmee een voorbeeld kunnen zijn voor andere regio’s. Van iets kleins maken we samen iets groots.’ ◼

‘Bij kleinere gemeenten ligt de capaciteit vooral in het sociaal domein’

Deel dit artikel