‘Alleen ga je sneller, samen kom je verder’

Maar alleen met voldoende bevoegdheden

Tekst Maurits van den Toorn

Beeld Shutterstock

Het Interbestuurlijk Programma (IBP) past in de maatschappelijke en politieke trend van decentralisatie. Meer verantwoordelijkheden worden regionaal en lokaal belegd, zodat er flexibel op ontwikkelingen kan worden ingespeeld. Nieuw is de toepassing van deze uitgangspunten bij een zo omvangrijk onderwerp als het klimaat en de energietransitie. Vier direct betrokkenen van de rijksoverheid en vanuit de koepels van waterschappen, provincies en gemeenten vertellen wat dit betekent en van iedereen vraagt.

‘We missen prikkels voor de regio om energie­projecten zelf op te pakken’

Lian Merkx, programmamanager Energie bij de VNG, legt uit dat het Interbestuurlijk Programma een soort gentleman’s agreement is om te stimuleren verdergaand samen te werken. ‘Het schetst kaders, het is een pakket afspraken over de omgang met elkaar. Op een aantal thema’s, waaronder de energietransitie, hebben we het al wat verdiept. Zo hebben we vastgelegd dat de koepels meedoen aan alle onderhandelingen van de Klimaatakkoordtafels en staan er al inhoudelijke aspecten in over de gebouwde omgeving en regionale energiestrategieën. Meer was lastig, omdat het programma kort voor de raadsverkiezingen gereed was en de planning van het klimaatakkoord toen nog niet bekend was.’

Vera Pieterman, plaatsvervangend directeur Energie en Omgeving bij het ministerie van EZK, vertelt wat vooraf ging: ‘Twee jaar geleden zijn we begonnen met verkennen wat de opgaven op klimaatgebied betekenen. De te nemen maatregelen slaan grotendeels neer in de regio en met de ervaringen die we hebben opgedaan met het programma Wind op Land in het achterhoofd, kwamen we tot de conclusie: dat kan beter. Na een pilot in eerst vijf en daarna nog twee regio’s naar de mogelijkheden van energiebesparing heeft dat geleid tot afspraken met de decentrale overheden – niet alleen over klimaat en energie, maar over veel meer onderwerpen – die zijn neergelegd in het Interbestuurlijk Programma.’


Dwarsverbanden

Rafaël Lazaroms, programmamanager Energie bij de Unie van Waterschappen, noemt twee punten die er wat hem betreft uitspringen bij het IBP. ‘Het belangrijkste van het programma is dat er dwarsverbanden mogelijk worden en dat je gedwongen wordt je in de positie van de ander te verplaatsen; elke overheid heeft immers een eigen perspectief. Zo’n dwarsverband waardoor je van elkaar weet waar je mee bezig bent, leidt tot betere samenwerking. Als de straat toch openligt voor vernieuwing van de riolering, leg dan meteen een warmtenetwerk aan.’

Als tweede aspect noemt hij de voorbeeldfunctie van de overheid die door het programma beter kan worden ingevuld. ‘We kunnen als overheid beter het goede voorbeeld geven op bijvoorbeeld het terrein van de circulaire economie als we onze krachten bundelen. Zoals de uitdrukking luidt: alleen ga je sneller, samen kom je verder. Het is uniek dat we als overheden door middel van dit programma gezamenlijk verantwoordelijkheid nemen.’

Dat gemeenten en waterschappen bij de energietransitie en klimaatadaptatie een belangrijke rol hebben is duidelijk: denk aan verduurzaming van de gebouwde omgeving of het versterken van dijken en het robuust maken van watersystemen. Mariëlle Hetem, programmamanager Klimaat en Energie bij het IPO, legt de positie van de provincies in dit proces uit. ‘We moeten als decentrale overheden de transitie ruimtelijk mogelijk maken én daarbij meerdere opgaven efficiënt aan elkaar knopen. Op het regionale schaalniveau kunnen juist provincies deze combinaties in de ruimte vinden, maar ze ook goed koppelen aan de kansen voor de regionale economie. Daarnaast kunnen de provincies gemeenten ondersteunen met bijvoorbeeld kennis over warmte en energiescans voor partners in de regio.’


‘De voorbeeld­functie van de overheid kan door het IBP beter worden ingevuld’

‘We moeten niet blijven hangen in bestuurlijke verantwoordelijkheden en bevoegdheden’

Uitvoerbare afspraken

Verantwoordelijkheid nemen is mooi, maar daar horen voor de decentrale overheden wel voldoende bevoegdheden bij om écht aan de slag te kunnen. Merkx: ‘We willen van alles doen, maar dan moeten we dat wel kunnen. Zo hebben we in 2016 onze investeringsagenda aan het rijk aangeboden: dit willen we doen, maar dan moet daar wel wat tegenover staan. Het verzoek dat we in 2017 aan de Tweede Kamer hebben gedaan om belemmerende wet- en regelgeving aan te pakken vloeit voort uit die investeringsagenda. Wij willen uitvoerbare afspraken. Het wordt gaandeweg steeds duidelijker welke kant we uitgaan, we zijn aan het uitvinden wat er voor de uitvoering van het klimaatakkoord nodig is. Er wordt nu ook hard gewerkt aan wetgeving, er is van alles in beweging; voorlopig is vooral het rijk aan zet.’

Er is inderdaad op veel terreinen wetgeving nodig, ziet Mariëlle Hetem. ‘Denk aan fiscale instrumenten om de energietransitie te versnellen, zoals het fiscaal belasten van gas ten opzichte van elektriciteit. Het rijk maakt die omslag, maar we missen echt prikkels voor de regio die het aantrekkelijk maken om energieprojecten zelf op te pakken. Dat kan bijvoorbeeld door een deel van de opbrengsten uit energieprojecten terug te laten vloeien naar de regio.’ Door de inzet van dergelijke instrumenten kunnen de energieopgaven in de regio’s sneller worden aangepakt. ‘Om vanuit de decentrale overheden aan het regionale aanbod te werken, moet de betaalbaarheid van de energietransitie wel geregeld zijn. Dat is een opgave voor de rijksoverheid.’

‘We zijn aan de klimaattafels in gesprek met elkaar over wat er allemaal kan, inclusief het aanpakken van belemmerende wet- en regelgeving,’ reageert Pieterman.


Andere competenties

Wet- en regelgeving zijn voor de ambtenaar vertrouwd terrein, maar voor de vele nieuwe taken die de energietransitie met zich meebrengt zijn ook andere competenties nodig. ‘Voor het welslagen van de enorme klimaatopgave hebben we niet voor niets in het Interbestuurlijk Programma afgesproken om samen te werken. Dat vraagt een andere instelling en houding en die hebben we nodig. Het gaat om samenwerken in een rolverdeling die past bij het gebied en de opgave. Daarbij moeten we niet blijven hangen in bestuurlijke verantwoordelijkheden en bevoegdheden,’ zegt Hetem.

Een voorbeeld van die samenwerking is de Regionale Energiestrategie (RES), waarin decentrale overheden de mogelijkheden onderzoeken voor regionale duurzame opwek en warmtetransitie in relatie tot het elektriciteitsnetwerk en de opslag van elektriciteit. ‘Dat vraagt het nodige van ons allemaal en is best zoeken, en gaat met vallen en opstaan gepaard. Ik merk dat we het niet alleen over de inhoud moeten hebben, maar juist ook over het samenwerken want gezien de tijdsdruk zie ik ook dat we heel snel vervallen in onze eigen bubbels. Zo roep ik ook het rijk op om mee te doen in de RES en samen de randvoorwaarden te verzorgen die de RES’en straks mogelijk maken.’

Merkx ziet ook de noodzaak van nieuwe competenties: ‘We vragen steeds meer van de mensen; ze moeten in hun carrière lerend willen blijven. Er is behoefte aan nieuwe technische competenties, maar voor een goede regievoering zijn mensen nodig die goed kunnen samenwerken, die in staat zijn impasses te doorbreken en zo vertrouwd worden dat ze goed overal tussen kunnen zitten. Het beste idee bedenken en dan vervolgens zeggen “zo gaan we het doen” is tamelijk makkelijk, maar op die manier gaan we de energietransitie niet uitvoeren.’

Op het ministerie van EZK wordt dit herkend. ‘Wij hebben altijd al de verantwoordelijkheid voor grote energieprojecten, zoals het aanleggen van hoogspanningsleidingen. Ook daarbij werken wij op deze manier,’ vult Pieterman aan. Omdat het klimaatakkoord nog in de ontwerpfase verkeert is er nog niets over concrete situaties te zeggen, maar Pieterman voorziet dat er over veel onderwerpen overleg met alle betrokken partners in de regio zal volgen. ‘We zullen op een goede manier vroegtijdig gesprekken met elkaar aangaan om oplossingen te vinden.’


Maatwerk

De keuze om op zoveel mogelijk manieren met elkaar samen te werken en niet één standaard voor alles te gebruiken maakt maatwerk mogelijk. Voor het ministerie van EZK is dat niet nieuw, hooguit een intensivering van de wijze waarop ook nu al wordt gewerkt. Pieterman: ‘We zitten al heel ver in de regio. Zo hebben we regioambassadeurs die al weten wat er speelt en is de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland al volop actief in de regio als expert, adviseur en procesbegeleider. We werken nu al op regionaal niveau en dat zal intensiever worden. Anderzijds kan een regio een onderwerp ook zelf oppakken en uitvoeren. In zo’n situatie zijn wij aanspreekbaar als er sprake is van belemmerende wet- en regelgeving.’

Merkx: ‘We gaan het samen doen waarbij er ruimte is voor maatwerk binnen bepaalde basisspelregels, zoals het gebruik van dezelfde datasets omdat je duidelijkheid moet hebben over de resultaten. Daarbinnen is heel veel ruimte voor flexibiliteit, iedereen kan zelf de meest relevante partners kiezen.’

Ook Hetem benadrukt het belang van maatwerk: ‘De problemen en mogelijkheden in een dorp wijken nu eenmaal af van die in een stedelijke gebied met veel industrie.  En als we op zoek moeten naar draagvlak vraagt dat ook maatwerk en niet om het uitrollen van een blauwdruk-aanpak. Dan gaat het echt om het voeren van het goede gesprek in alle openheid met de juiste mensen en met respect voor elkaars zorgen.’ Lastig is dat wel: ‘Dat kost tijd, terwijl je weet dat we die eigenlijk niet hebben.’

Lazaroms valt haar bij: ‘Het thema is zo ongelooflijk complex en er zijn zoveel partijen bij betrokken dat het een hele klus is om dit in 2030 te realiseren, maar we zullen wel moeten. De veranderingen gaan sneller dan we eerst hadden ingecalculeerd, we kunnen het ons niet veroorloven om niets te doen. We hebben als waterschappen dan ook begrip voor het streven naar 55 procent reductie in plaats van de 49 procent die is afgesproken.’ ◼

Deel dit artikel